De liefde voor een onhandig, maar bloedmooi instrument

Zo aanwezig als de contrabas fysiek is, zo onopvallend is zijn rol in de muziek. Een festival moet daaraan een einde maken. Organisator James Oesi betuigt het instrument zijn liefde.

James Oesi: „Ik wil dat mensen nieuwe muziek ontdekken en dat kan via geen enkel instrument zo goed als de contrabas.” Foto Roger Cremers

Zoals je keeper wordt bij voetbal, zo wordt je contrabassist bij een ensemble; er is nog één positie open dus vooruit maar. De sluitpost is essentieel, maar staat zelden in de belangstelling. En dan bedient de contrabas ook nog eens het register waarin de trommelvliezen moeite hebben met de details. Bij popconcerten is de bassolo het moment om bier te gaan halen. Bij jazz of klassiek is het maar hopen dat het een beetje overkomt. Op plaat verdwijnt de solo vaak in het niets.

Toch is het die onhandig grote contrabas die een eigen driedaags festival krijgt. Met internationale topbassisten en YouTube-sterren.

Zoals je keeper wordt bij voetbal, zo wordt je contrabassist bij een ensemble; er is nog één positie open dus vooruit maar

Het verbaasde organisator James Oesi dat het er niet al was. In Nederland heeft de harp zijn eigen festival, de cello een biënnale, maar nergens ter wereld is er een contrabasfestival. „En die verdient het toch het meest. De contrabas is fundamenteel in jazz en klassiek. Het belang ervan overstijgt het instrument, in elk genre zit een baslijn.”

Dus is hij het zelf gaan organiseren: het eerste Dutch Double Bass Festival. Dat wordt gehouden op een industriële locatie: de Electriciteitsfabriek in Den Haag. Met onder anderen jazzbassist John Patitucci, beroemd door zijn werk met Chick Corea, Wayne Shorter en Herbie Hancock. En met Gary Karr, die al in de jaren 60 wereldfaam verwierf door zijn solowerk bij het New York Philharmonic onder leiding van Leonard Bernstein. Er is speciale aandacht voor basbouwers, want bij het instrument draait het altijd om het fysiek. „Bovendien is het handig om bouwers op je festival te hebben, er gaat altijd wel iets stuk aan zo’n bas.”

Beethoven en Bach

James Oesi (28) groeide op in Zuid-Afrika. Op zijn zestiende verhuisde hij naar Moskou, waar hij aan het conservatorium basles kreeg. Hij vervolgde zijn opleiding in Nederland; in 2012 studeerde hij met een tien met aantekening af aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Hij staat te boek als een groot talent dat zelden de makkelijkste weg neemt. Dat begon al bij zijn keuze – bij hem was die bewust – voor de contrabas. Al wist hij toen nog niet wat hij zich op de hals haalde.

„Ik kwam op mijn tiende bij het strijkensemble van de muziekschool. Stonden daar allemaal kinderen met violen. Het leek me een beetje saai om dat ook te gaan doen. Er hing een poster met alle strijkinstrumenten en daar zag ik de contrabas tussen staan. Had ik nog nooit gezien. Het leek me wel exotisch, en leuk.” Was het ook, maar het was niet leuk om in de bibliotheek op zoek te gaan naar stukken om te spelen. „Hele rijen muziek voor viool en cello, maar de contrabassectie kon ik niet vinden. Bleken er drie boekjes te staan: twee lesboeken en één muziekstuk.”

Er zijn simpelweg bijna geen stukken geschreven voor bassisten. Oesi wilde ander materiaal omschrijven naar bas, maar dat mocht hij niet van zijn conservatieve Russische leermeester. Er waren perioden dat hij werkelijk dacht dat hij voor altijd veroordeeld zou zijn tot het spelen van de baslijn in dienst van anderen. Maar toen kreeg hij op het conservatorium in Den Haag de opdracht om de derde sonate voor piano en cello van Beethoven te transcriberen.

„Ik zag dat daar iets heel moois gebeurde.” Hij pakt het stuk erbij. „Bij elke climax laat hij de cello omlaag gaan, maar tegen het einde kan de cello niet lager en gaat dus weer omhoog. Je ziet dat Beethoven eigenlijk nog lager had willen gaan. En hee, op de bas kan dat gewoon.” Hetzelfde geldt voor de cellosuites van Bach die Oesi transcribeerde voor bas: „Als je ze goed speelt zijn ze misschien wel mooier dan op cello.”

Derde sonate van Beethoven.

Waanzinnig virtuoos

Volgens Oesi schrijven componisten pas sinds een jaar of tien vaker stukken voor de contrabas. Dat komt ook doordat er meer goede muzikanten zijn: een gevolg van de uitwisseling online. „Vroeger moest je echt reizen om een goede bassist te horen, want ze waren schaars.” Dat had te maken met die keepersfunctie. „Zelfs de belangrijkste bassist uit de geschiedenis, de Italiaan Giovanni Bottesini (1821-1889), koos onvrijwillig voor het instrument. Maar het verhaal wil dat hij, nadat hij de bas eenmaal had bespeeld, nachtenlang doorging en vergat te eten, alleen maar om de klank te horen. Hij was waanzinnig virtuoos. En dan kan de bas bloedmooi klinken.”

Bassen is bovenal een fysieke exercitie

Het bestaat dus, virtuositeit op de bas, maar je hoort het zelden. „Ik maak me geen illusies”, zegt Oesi, „het is een dienend instrument. Maar het kán ook anders.”

Hij pakt zijn eigen bas erbij om zijn theorie over het geringe aantal solerende bassisten uit de doeken te doen. „Anders dan bij andere instrumenten, vereist soleren een totaal andere techniek dan het spelen van de baslijn.” Hij strijkt een baslijn. De vingers van zijn linkerhand lopen over de grote hals. „Dat is de basis. Maar als je wilt soleren, moet je hier zijn.” Nu komt zijn linkerhand voor de enorme klankkast van het instrument te zitten. Meteen blijkt het probleem: de duim kan nergens heen. Die is nu nodig om de snaren in te drukken, een andere techniek die veel kracht vraagt. „In een orkest speel je bijna nooit duimposities.” Veel bassisten zijn er een beetje bang voor. „Prima, maar dan speel je je hele leven alleen de baslijn.”

Fysiek

Het geeft aan dat bassen bovenal een fysieke exercitie is. Het is ook een nogal aanwezig instrument. „Toen mijn bas laatst weg was voor reparatie, zei een vriendin die op bezoek was dat ze hem miste in de kamer. Als een persoon.”

Zijn bas komt uit 1872, gemaakt door Giuseppe Baldantoni. Een beroemde basmaker, tevens wapensmid, dat zie je aan de schroeven waarmee de snaren gespannen worden. Prachtige mechaniek. Oesi noemt het een kleine bas, maar het ding steekt alsnog een flink eind boven hem uit. „De snaren zijn maar 101 centimeter lang, als ze korter zijn dan een meter mag het officieel geen contrabas meer heten.”

Je kunt er daardoor makkelijker op soleren. „Maar hij klinkt aan mijn kant minder mooi dan voor het publiek, het geluid is echt naar voren gericht.” Hij vergelijkt het met zijn andere bas, uit dezelfde periode maar met een totaal andere bouw. Groter en met afhangende schouders, hoekig in plaats van rond. Hij wil maar zeggen: een andere bas is vaak een compleet ander instrument. De laatste tijd speelt hij bijvoorbeeld vaak op bassen met vijf snaren in plaats van vier, is hij tijdens het spelen steeds aan het tellen op welke snaar hij zit. En die bas van Baldantoni, daar zaten oorspronkelijk zelfs maar drie snaren op.

„Dat is ook echt zo’n contrabas-ding”, zegt Oesi, „er bestaat geen duidelijke standaard.”

Dat is ook wat hij op het festival wil laten horen. Je kunt van jazz naar het Rotterdams Philharmonisch en van elektronica naar YouTube-ster Adam Ben Ezra die klikhits scoort met popcovers op de contrabas. Oesi: „Het is niet de bedoeling dat je het hele festival lang alleen maar bassolo’s hoort. Ik wil dat mensen nieuwe muziek ontdekken en dat kan via geen enkel instrument zo goed als de contrabas.”

Dutch Double Bass Festival, Electriciteitsfabriek Den Haag, vrijdag 19 t/m zondag 21 mei 2017