Column

Leve de specialisten!

Wie kan er nog iets bijzonders? Arabisch spreken en lezen bijvoorbeeld, gedichten van Baudelaire uit je hoofd opzeggen, of van Bloem? Wie maakt er uit zijn hoofd staartdelingen en kan valversnellingen berekenen? Vroeger keek ik wel eens naar Wedden dat, waar allerlei bevlogen en bezeten mensen voorbijkwamen die geblinddoekt allerlei soorten en jaargangen wijn konden herkennen. Of die van alle postzegels meteen wisten waar ze vandaan kwamen.

Het is het genoegen van de dierentuinbezoeker die aapjes kijkt, de fascinatie van burgers van middelmatige kwaliteiten voor de savant. Of de bewondering voor de welhaast bovenmenselijke genialiteit van sterrenkundigen en Nobelprijswinnaars voor wie de wereld een toverspel van kleuren en getallen is en die makkelijker de weg door het heelal weten te vinden dan de weg naar de bakker om de hoek.

Terug naar de harde werkelijkheid. Hoe zit het eigenlijk met de kennis van het aanstormend talent binnen onze universiteiten? De afgelopen maanden mocht ik me aan de eigen universiteit en elders, door onoverzichtelijke stapels sollicitaties worstelen. De luxe van het kunnen selecteren van masterstudenten, student-assistenten, aio’s, UD’s en zelfs een enkele hoogleraar weegt ternauwernood op tegen het moeten doorgronden van honderden even internationale als onleesbare cv’s, motivatiebrieven en proeven van wetenschappelijke bekwaamheid.

Tijdens dat doorlezen, en het uitzitten van uren durende sollicitatiegesprekken, stond één ding buiten kijf. De meeste kandidaten kunnen briljant presenteren. Ik kan me niet herinneren dat ikzelf, of mijn vrienden en collega’s toen we begin twintig waren, zo blakend van zelfvertrouwen, zo goedgebekt en assertief de commissies te woord stonden. Ook wisten de kandidaten feilloos te benoemen wat hun sterktes en zwaktes waren, hoe goed ze konden communiceren, wat voor teamspeler ze waren, wat ze voor arbeidsvoorwaarden wilden en over welke internationale ervaringen, sociale contacten en netwerken ze beschikten.

Het probleem was alleen dat we voor de onderzoeksmasterstudenten en aio-posities (bij UD’s ligt dat iets anders) niet op zoek waren naar iemand met een netwerk. Of met ervaringen in de (internationale) horeca. Maar naar iemand die zich in het verleden aantoonbaar heeft vastgebeten in een materie. Het maakt soms niet eens veel uit in wat voor specialisme. Sekte-oorlogen in Libanon, vroegmoderne identiteit op de Balkan, internationale betrekkingen in de Pacific Rim, alles mag. Als het maar overtuigt door kennis en kunde. En het liefst ook wat eruditie. Het is gewoon fijn als iemand wéét wat de Koude Oorlog inhield, wat de ‘balance of power’ was, wat het Arabische begrip voor veiligheid is, hoe en wanneer grondwetten ontstonden en wat er gebeurt bij grote revoluties en regime changes.

Of nog simpeler: wat democratie is, en hoe je macht definieert. Ja, ik ben nu aan het chargeren, en ja, ik weet heus wel dat vaardigheden ook prettig zijn. Maar het moet gewoon even gezegd worden in dit tijdsgewricht van hippe, brede bachelors: specialiseren loont! Bij sollicitaties naar een positie binnen de geschiedenis is het gewoon een voordeel wanneer iemand zich door een berg primair archiefmateriaal heeft gegeten.

Overigens weet je dan ook dat iemand beschikt over vasthoudendheid, verbeelding en doorzettingsvermogen. Anders was hij/zij gillend gek geworden. Van collega’s bij ministeries of diensten hoor ik over dezelfde schreeuwende behoefte. Waar zijn de Russisch- of Arabisch-sprekenden, de analisten met de encyclopedische kennis die meteen kunnen duiden waar een dreiging vandaan komt?

Laat ik even in het bijzonder stilstaan bij de kennis van vreemde talen. De meeste (Nederlandse) kandidaten kennen net zo’n beetje Engels. Met soms een beetje passief Duits. Frans is al helemaal verdwenen van de cv’s. Daar staat dan tegenover dat de kandidaten goed kunnen koken, hardlopen, of leidinggeven.

Een betere wereld begint bij de middelbare school: de decanen moeten leerlingen óók wijzen op opleidingen waar je echt wat leert, en niet allerlei samengestelde wetenschappen en oppervlakkige communicatievaardigheden opdoet. Dat beheerst deze generatie toch al tot in de puntjes.

Dan op de universiteiten: we kunnen onze aspirant (geestes)wetenschappers aanmoedigen meer te schrijven, iets extra’s te leren of een Summerschool te volgen.

Maar we moeten ook zelf naast onze studenten gaan zitten en hen er van overtuigen hoe fascinerend het doorploeteren van onleesbare Duitse, Arabische of Middeleeuwse teksten is, van aandelenkoersen in de 17e eeuw of geboorteregisters uit de 18e. En wat je dan allemaal kunt ontdekken over burgerschap, ongelijkheid of onveiligheid.

De meeste docenten doen dat allang, en sloven zich tot het uiterste uit om de liefde voor hun vakgebied en kunde over te dragen. En het verrassende is dat veel (niet alle) studenten daar ook heel goed toe zijn te verleiden. Maar het kost tijd, en toewijding, om ze ervan te overtuigen toch met elkaar Frans te gaan vertalen. En het vereist kleine groepjes. Met een groepje van 6 tot 10 studenten kan dit. Niet met meer dan 25 of 30. En ook niet in brede bachelors waar iedereen een mening heeft en niemand echt wat leert.

Maar dan moet dat kennen en kunnen wel worden beloond en ondersteund. Dus weg met al die nutteloze rapporten over vaardigheden voor de toekomst. Geef het wetenschappelijk onderwijs alsjeblieft meer ondersteuning voor het overbrengen van kennis en kunde in het hier en nu. Specialisten aan de macht!

Beatrice Graaf is hoogleraar Geschiedenis van de internationale betrekkingen in Utrecht