Opinie

Kleinere klassen? Het kan, en ook nog zonder extra geld

“Extra geld is erg welkom in het onderwijs. Maar om voor kleinere klassen te zorgen is het niet nodig.”

Het is onzinnig om aan de formatietafel kleinere klassen te eisen. Niet de politiek maar scholen zelf bepalen de klassengrootte. Veel scholen zijn echter conservatief, en houden vast aan in beton gegoten lesroosters, klaslokalen die ontworpen zijn voor dertig leerlingen, en aan een scheiding tussen klassen. Dat hoeft helemaal niet.

Ik heb drie vwo 4-klassen maatschappijleer. Stel dat ik ze drie keer in de week lesgeef, samen negen lesuren waarvoor ik word betaald. Ik schat dat een derde deel van die lestijd opgaat aan klassiek ‘lesgeven’: ik praat en stel vragen, de leerlingen luisteren, denken na, noteren. Ik zou dat prima met alle negentig leerlingen tegelijk kunnen doen. Dat kost de school dus twee lesuren minder.

Voor nóg een derde deel van mijn lestijd geldt dat de leerlingen in kleine groepen aan het werk zijn. Daarvoor hebben ze wel elkaar nodig, maar mij niet per se. Zet ze gedurende die drie uur in een grote studieruimte aan het werk, en laat daar een paar goedkope krachten toezicht houden. Zo hebben we al vijf van de negen lesuren geschrapt, terwijl de kwaliteit van het onderwijs niet achteruit is gegaan.

Alleen voor het overige deel van mijn onderwijs (evaluatie van gemaakt werk, coaching, hulp voor zwakke leerlingen en uitdaging voor sterke leerlingen) snak ik naar kleinere klassen. Maar dat is geen probleem: waar voorheen maar 3/9 van mijn totale onderwijstijd hiervoor beschikbaar was (één lesuur voor elk van de drie groepen van dertig leerlingen) is dat nu 8/9.

Dat maakt het mogelijk les te geven aan acht groepjes van elf leerlingen. Als ik meereken dat de toezichthouders (twee stuks, maar onopgeleid en onvoorbereid) ook betaald moeten worden, wordt het misschien dertien: nog altijd een weelde in vergelijking met de huidige dertig.

Het ene overheidsinstrument om kleinere klassen te bereiken, meer geld, is hier niet voor nodig: het gaat slechts om een verschuiving van middelen. Het andere instrument, een wettelijke grens, is zelfs contraproductief: wordt het dan verboden om onderwijs te geven in hoorcollegevorm, of om grote zelfstudieruimtes in te richten?

Ik realiseer mij dat het bovenstaande model niet voor alle leerlingen geschikt is: ik vraag me af hoe lang ik de aandacht zou kunnen vasthouden van een groep van negentig vmbo-leerlingen. Maar dit is slechts een van de mogelijkheden voor scholen om geld vrij te spelen voor kleinere klassen. Waarom wordt er niet geïnvesteerd in de ontwikkeling van echt goede lessen, om die één keer op te nemen en vervolgens voor meerdere groepen te gebruiken?

Waarom worden dure docenten ingezet voor de surveillance bij toetsen? Waarom zijn er nog geen ‘leerling-assistenten’ die toetsen nakijken, zoals in het hoger onderwijs? Waarom investeren scholen niet in het ontwerpen, opslaan en delen van goed lesmateriaal, zodat dure schoolboeken overbodig worden?

Onderhandelaars aan de formatietafel: extra geld is erg welkom in het onderwijs. Maar om voor kleinere klassen te zorgen is het niet nodig.