Lezen: oorlogsbrief van een Rotterdamse brandweerman

Bombardement Rotterdam

Bij toeval trof de familie Weller een brief van grootvader Leo aan zijn zus Marie over de meidagen van 1940 in Rotterdam. Een bijzonder persoonlijk oorlogsdocument dat de familie afstond aan NRC.

Foto Maritiem Museum Rotterdam

Als een donderslag bij heldere hemel kwam de oorlogsbrief van brandweerman Leo Weller boven water. Bijna vijfenzeventig jaar nadat hij zijn zus Marie in Friesland gedetailleerd verslag had gedaan van de inval van de Duitsers in Rotterdam op 10 mei 1940 en het bombardement vier dagen later, dook het epistel op. En wel in de erfenis van Wellers schoondochter Truus Weller-Govers.

Haar zoon Frank, kleinzoon van Leo Weller, vertelt: „Toen mijn moeder twaalf jaar geleden stierf, hebben we de ouderlijke woning leeggeruimd en de spullen onderling verdeeld. Ook grootvaders brief, die vermoedelijk via m’n oudtante Marie bij mijn ouders is terechtgekomen, zat daarbij. Alleen kwamen we daar pas een jaar of drie geleden achter toen mijn zus Marja hem toevallig vond in een dossiermap die ze bij de leegruiming had meegenomen.”

Toen Frank Weller de brief las kreeg hij kippenvel. „Ik had mijn grootvader nooit over de oorlog gehoord. Het is een uniek stukje verslaggeving. Niet alleen omdat het zeer minutieus is, maar ook omdat grootvader als vrijwillig brandweerman een rol speelde bij het blussen van de branden in de binnenstad.”

Weller heeft zijn grootvader niet lang meegemaakt, maar uit de brief herkent hij hem direct. „Een man die van aanpakken wist. Na het bombardement schoot hij meteen zijn bevriende collega-middenstander Nijman te hulp en droeg diens verlamde kind op de schouders bij hun vlucht uit Rotterdam. Ook dat mijn grootvader enkele maanden nadat zijn textielzaak aan de Coolsingel in vlammen was opgegaan een nieuwe zaak startte aan de Goudsesingel , dit keer in elektronica, tekent zijn kracht.”

Weller (59) zag zijn grootvader pas voor het eerst toen hij een jaar of dertien was. Oorzaak van die late kennismaking was een pijnlijk familiegeheim. „Mijn grootmoeder zweeg opa dood nadat hij haar rond 1930 had verlaten. Ze waren van tafel en bed gescheiden omdat mijn grootmoeder, als katholiek gelovige, geen echtscheiding wilde. Daardoor moest mijn grootvader tot na haar dood in 1962 wachten voor hij kon trouwen met zijn grote liefde, een vrouw uit Oldenzaal.”

Tot 1970 kreeg Frank Weller te verstaan dat zijn opa was gestorven. „Maar van mijn oudere broers hoorde ik dat hij nog leefde. Toen heb ik via mijn moeder contact geëist.” Zijn eerste indruk: een vrolijke, charmante man. En kunstzinnig bovendien. Hij speelde vleugel en kende het gedicht ‘Meisjes’ van cabaretier Jean-Louis Pisuisse uit het hoofd.

Leo Weller stierf in februari 1984 op 88-jarige leeftijd, en nam zijn oorlogsgeheim mee in het graf.

Luchtfoto van centrum van Rotterdam na het bombardement van 1940.

Foto Nationaal Bevrijdingsmuseum Groesbeek
Verwoestingen in Rotterdam als gevolg van het bombardement. Coolsingel, hoek Kruiskade, gefotografeerd vanaf het Stadhuis.

Foto NIOD

De brief

L.A.Weller Rotterdam, 27 October 1940

Virulyplein 13a

Telefoon 37857

Beste Marie,

Ja, je hebt groot gelijk, het is schande, dat ik jelui al dien tijd niets meer heb laten hooren, maar als je de heele lijdensgeschiedenis kent van me, dan geloof ik, dat er je niet boos over zal zijn, het is eenvoudig onmogelijk geweest om aan schrijven toe te komen. Ik zal trachten om jelui een eenigzins opeenvolgend verhaal te geven van al de gebeurtenissen van de laatste tijd; alzo:

Vrijdags morgens om half vier liep iedereen op de coolsingel en was het oorlogsspul begonnen. Valscherm troepen bij honderden, hevige schietpartijen op de maas. Om negen hier was ongeveer de heele binnenstad afgezet en niemand mocht zich buiten vertoonen. De zaak ontwikkelde zich als een geweldige burger oorlog, er werd enorm geschoten tusschen N.S.B.ers en de hollandsche militairen, in dat gebied lagen wij. Ik kon als brandweerman met mijn band en aanstelling de straat op en was dan ook de aangewezen man om levensmiddelen te halen. Vrijdags nachts om 12 uur belden zij mij over het brandweer toestel: groote brand Twentsche bank, Noord-Blaak, een brandbom gevallen. Ik zei lakoniek: ik kom. Ik kleede mij goed aan, leeren jas, waterlaarzen, ik er op uit. Na ontzaggelijke moeite en een groote omweg kwam ik ter plaatse. Er was nog geen hoofdman, dus had ik de leiding. Ik liet direct twee groote motorspuiten aanrukken, we bluschten daar tot 7 uur des morgens. Ik kan je onmogelijk beschrijven, wat ik daar beleefd heb, maar het was ontzettend. Een hoop dooie mariniers, de kogels vlogen ons om de ooren, machines boven onze kop, luchtalarm, dan vluchten in de schuilkelder, we zaten er net in, toen de gevel naar beneden kwam. Op het beursstation de Duitschers, de hollanders er onder in, schieten dat het daverde, werkelijk, de kogels vlogen ons soms om de ooren. We hebben stand gehouden, des morgens om 7 uur was de bank uit………. Drie dagen daarna lag alles in puin!!! al het zwoegen voor niets. Zaterdag werden om 12 uur des middags plotseling alle wachten op de Coolsingel ingetrokken, het werd er ijzig stil, niemand op straat. Ik ging brood en melk halen, maar ik zag wel, dat het niet pluis was. Mijn buurman (Nijman,) die onder woonde (althans alleen met de zaak) kwam ik tegen. (Die woonde op de Diergaardelaan 9 vlak bij de Coolsingel). Hij liep met me mee, niemand was te zien. Hij zei tegen me, je kunt niet op de Coolsingel blijven zitten, het lijkt me gevaarlijk, kom mee naar ons toe. We gingen met een paar koffers kleeren. (Nijman heeft een gezin, man vrouw en 4 kinderen, de jongste 8 jaar, de oudste 16 jaar, een lam kind, kinderverlamming). Daar namen we onze intrek. Een uur na vertrek werden er mitrailleurs op het balcon bij Pschorr (tegenover ons) opgesteld en toen hebben ze onze kantoren, woonhuis enz doorzeeft van de kogels. Wat was het geval. Om de hoek bij ons (kruiskade) was een N.S.B. huis, daar zaten ze in, men beweert, dat daar vandaan uit hevig geschoten is, ik heb het niet gezien. De hollandsche militairen hebben toen de heele hoek maar onder vuur genomen, het was vreeselijk.

Een straatbeeld van de puinhopen in Rotterdam na het bombardement van mei 1940.
ANP
ANP
Bombardementen op Rotterdam.
Beeld van de grote branden in Rotterdam na het Duitse bombardement op 14 mei 1940.
ANP

Des avonds ben ik nog even in ons huis geweest, het was vreeselijk om te zien, alle ruiten kapot, de gordijnen van de ramen, door de twee suitedeuren heen geschoten, de kogels zaten in mijn bed, Ik heb ze voor de kinderen van Nijman, met een beitel er uitgestoken. We waren dus bijtijds gevlucht. Ik heb er toen beddegoed uitgesleept en zon konden we bij Nijman op de grond slapen. Maar van slapen kwam die nacht niks. Er waren geweldige gevechten en zoo kwam de Zondag. Dien dag 5,6 keer luchtalarm, daar vielen de eerste bommen vlak bij ons in de Diergaarde en op de Kruisstraat. Wij zaten allemaal op de trap, de kinderen tusschen ons in. Zondagsmiddags van 2 tot 10 nog brandweer dienst gedaan, maar het was bijna onmogelijk. Alles was verspert, voordurend machines boven de stad, bommen, vechten van burgers en militairen. Het was krankzinnig (je reinste) burgeroorlog, met de vijand boven de stad, dat m o e s t op niets uitdraaien.

Maandags thuis gebleven, heel veel lucht alarm, wij allemaal weer op de trap, (Nijman woont op een bovenhuis). En toen brak de beruchte Dinsdag de 14e mei aan. We waren allemaal doodop en niemand had de laatste drie nachten geslapen. Des middags om een uur weer luchtalarm, wij onze overjassen weer aan, hoeden op en weer op de trap, och we waren aan de vele luchtalarmen gewoon geraakt en maakten nog een lolletje, dit om de kinderen wat te kalmeeren. Om kwart voor twee vielen de bommen, ontzettend wat een hoeveelheid. Vlak naast ons een voltreffer, twee huizen totaal in puin, ons huis wankelde, de trap schudde enorm. Direct daarop een voltreffer twee huizen van ons af, ik dacht dat het met ons gedaan was. Toen sloeg een bom vlak voor ons op straat, de straatdeur vloog uit de scharnieren, het balcon boven bij ons stortte op straat, de kozijnen van het raam er uit, alle plafonds naar beneden. Toen was het even stil, het was volkomen nacht, roetzwart, zoo zaten we denk ik 5 minuten, toen er weer een flauwe lichtschijn doorbrak. Alles was aarde, kalk, stof, steenen enz. Vluchten schreewde Nijman, alles rende de straat op, de hond rukte zich los en vloog naar boven. Ik het beest achterna, ontzettend alles boven kapot, meubelen waren niet meer te zien, scheuren in de gang boven, waar je je vuist in kon steken. Ik holde naar de slaapkamer, de koffers met kleren niet meer te zien, het plafond lag er op, ineens zag ik de hond onder het puin, ik greep hem, halsband om en sleurde hem de trappen afrende over de straat, haalde de andere vluchtenden in. We kwamen met ons achten op de hoek van de Ammanstraat en Kruisstraat, ik keek om, toen donderde het huis van Nijman, of er een voltreffer op was gekomen, of dat het bezweken is, heb ik niet kunnen constateren, ik denk het tweede. Later heb ik er me dikwijls, dat een oud solied huis zoveel kan doorstaan, voordat het instort. Toen we op de trap zaten, wankelde het huis, maar zoo erg, ongelooflijk !! Wij renden de Coolsingel op, Nijman sjouwde het lamme kind op zijn rug. De Doelen brandde als een fakkel, het nieuwsblad brandde, het dradennet van de tram lag op straat, verder, overal brand en inmiddels vielen de bommen om ons heen. We stapten over de lijken die overal bij bosjes lagen, menschen zonder armen of benen, stukken vleesch, een vrouw die gek was geworden en boven het gehuil van inslaande bommen uit gilde, we werden ingesloten door de brand, ontzettende rook stof en een helsch kabaal. Op het Hofplein vielen we, alles versperd. Nijman wilde zijn wagen uit de garage halen, een nauw straatje bij het Hofplein, we grepen hem vast, alles brandde, het ging niet meer, we holden de rechter Rottekade af, versperd, juist sloeg een bom voor ons in, alles weer donker, wachten, toen de linker Rottekade af, hollen langs de instortende huizen, brand, langs het water. Ik nam het kind van Nijman over, een zware jongen van 11 jaar, op mijn rug, sjouwen. We kwamen in het Noorden van de stad. In een klein zijstraatje grepen we bij de slager een fiets, met een bagage drager er voor op, daar het kind op, toen konden we vlugger uit de voeten. Zoo kwamen we uit de hel, de weg naar Hillegersberg op, uren hollen, de kinderen konden niet meer, maar we moesten voort. Jelui kunnen voor geen tiende gedeelte beseffen, wat wij beleefd hebben en nog steeds ben ik verbaast dat ik nog leef. In Hillegersberg zijn we opgenomen bij een aannemer, een kennis van Nijman. Daar hebben we twee dagen en twee nachten in een garage gelegen op dekzeilen, stijf des morgens !! Hillegersberg is een klein dorp van enige duizenden bewoners. Plotseling kwamen er 10.000 vluchtelingen bij, na een uur waren alle winkels leeg gehaald, we hebben er 2X24 uur op droog brood en water geleefd. Het water schepten we uit de plassen daar en kookten het op een primus. We hebben in een bakkerswinkel gevochten om een brood. Inmiddels zag je de hele stad branden in de verte. We trokken er ons op dat moment niets meer van aan, we waren versuft en niets kon ons meer schelen.De volgende morgen om 10 uur gingen Nijman en ik op weg de brandende stad in, om te kijken, wat er van onze zaken op het Coolsingel was over gebleven. Het is niet te beschrijven, wat we daar beleefd hebben en de aanblik raak ik mijn heele leven niet meer kwijt. Van ons huis stond niets maar dan ook niets meer. Een heel klein puinhoopje was alles en overal enorme branden, er zijn stadsgedeelten geweest die 2 maanden en langer gebrand hebben.

Ik ken een enorme papieropslagplaats, hier heeft onze brandweer 23 keer gebluscht, na twee maanden brandde het nog ! , dergelijke dingen moeten eenvoudig uitbranden. Na twee dagen en twee nachten zijn we op geleende fietsen naar Utrecht gevlucht, daar kwamen we aan als landverhuizers, ik had een baard van een week en was onherkenbaar. Toen hebben we overal gezworven, in den Haag, in Arnhem, in s’Heerenberg, enfin ik weet niet waar we overal geweest zijn.

Maar ja, we waren alles kwijt en weinig geld, dus we moesten weer aan de slag en dat zou alleen in Rotterdam kunnen, want daar heb ik de relatie’s. Dus zoo namen we het laatste van Juni onze intrek bij kennissen op de Schieweg, Toen we er een week zaten vielen er op een nacht 7 engelsche bommen, in een straal van 3a 4 honderd meter om ons buis, alle ruiten er uit, vreeselijk. Een bom viel op 225 passen lopen van onze slaapkamer. Ik heb het vanaf de krater met voetpassen uitgeteld. Toen had ik meer dan genoeg van Rotterdam, ik wou er uit, om er nooit meer in terug te komen, wij zijn toen 7 weken weg geweest, maar ja, we moesten toch weer geld verdienen. Via den Haag kwamen we dus weer terug. Een vriend van me in den Haag heeft me weer op de been geholpen en nu heb ik een electriciteits-zaakje (zaak durf ik nog niet te zeggen). Hij heeft er me ingezet, 1 december gaan we naar een nood winkel op de Goudschesingel en dan maar hopen dat het lukken zal. De Dameskroniek is voor Rotterdam afgelopen, een luxe blad, de abonee’s weg en geen adverteerders, daar is op moment niets aan te verdienen. Maar we hebben des nachts in Rotterdam heel veel angst, soms davert de stad van het geweldige afweergeschut, het staat om de heele stad heen. Als ik de kans krijg dan trek ik des avonds de stad uit, om elders te slapen, overal heb ik al geslapen en met mij duizenden. Als het donker begint te worden, bekruipt je de angst. In woonschuiten, overal zijn we geweest. Het is allemaal heel erg, en het leven is werkelijk niet meer de moeite waard om geleefd te worden. We hebben aan alles gebrek, eten veel droog brood, want het boterrantsoen is volkomen ontoerijkend en al heb je bonnen, dan nog is het uitermate moeilijk om aan het etenswaar te komen. Als je me wat levensmiddelen kunt sturen, ben ik je dankbaar, vooral wat hartigs als het er is, je wordt zoo flauw, want dat eeuwige brood met jam en brood met koek en brood met gestampte muisjes en brood met chocoladehagelslag, nou dan heb ik zo ongeveer het hele menu. Des middags eet ik aardappelen, van die glazige, ik geloof veenaardappelen met wat lawaai saus, groente en fruit en een heel enkele keer vleesch. Honderden dingen zijn hier niet meer te krijgen. b.v. lucifers, cigaretten, een stiftje in je potlood, een batterijtje in je zaklamp, leer om schoenen te verzolen is er niet en dan bijna niets van vleesch, vet, kaas of iets hartigs op de boterham. En dan geen meel, geen slaolie, geen vermicelli enz. enz. Van de winter wordt het hier vast hongersnood. En weet je wat het beroerde is. De menschen in de buitenwijken, die hier niet getroffen zijn, hebben meest allemaal wel een of ander vooraadje, waar ze van de winter uit kunnen putten, maar dat is met de binnenstad menschen niet meer het geval. Ik en duizend anderen die alles kwijt zijn, zijn het kind van de rekening. Wij zijn met ons achten gevlucht, met achterlating van alles en hebben alleen onze kleeren die we aanhebben. Van een vriend kreeg ik honderd gulden, ze waren aan kleeren in een dag op !! gewoonlijk is het op het platteland met de levensmiddelen beter gesteld dan in de stad en als je wat missen kunt, dan ben ik je zeer dankbaar Marie !! Hoe staat het bij jelui met boter en vet, van het laatste krijgen wij zoo nu en dan 1/2 onsjes ! De gekste dingen maak je mee.

Toen we op het Virulyplein kwamen (we hebben geleende bedden en tafel en stoelen) moesten we een paar kleerhaakjes hebben. In de hele stad niet te krijgen, alles gekocht door de getroffen. Zeg Marie zou jij nog een paar stofdoeken hebben, om de winkel mee schoon te houden, daar ben ik erg verlegen om. Als je wat stuurt pak het dan heel goed in, want het kan best vanuit Friesland een week of langer onderweg zijn, het gaat allemaal uiterst langzaam met het vervoer en als de Engelschen het Maasstation vandaag of morgen in elkaar gooien, althans het restje wat er nog van over is, dan loopt de hele expeditie in het honderd. Wat een tijd, wie had dat ooit gedacht

Wanneer je voor mij aan het inpakken gaat en het is mogelijk, dan kun je me een groot plezier doen met boter, vet, spek, slaolie, koffie, thee, suiker, en wat hartigs op het brood bv. rookvleesch of zo iets. Blikjes melk, kaas, enfin zo kan ik voort gaan.

En nou maak ik een eind aan mijn epistel, Je weet nu weer een en ander en ik hoop, dat ik de volgende keer wat opgewekter kan schrijven. Hoofdzaak is dat het oorlogsgedonder ophoudt en we rust krijgen en des nachts niet in angst hoeven zitten voor de Engelschen, wie de oorlog wint laat ieder Rotterdammer volkomen koud, als er maar een eind aan komt. Groet papa van me, als ik weer geld heb, dan kom ik eens een dagje over.

Hartelijke groeten je broer,

Leo

De brief van Leo Weller is voor de begrijpelijkheid slechts licht gecorrigeerd. De meeste spel- en interpunctiefouten zijn blijven staan om het origineel geen geweld aan te doen.