In het spoor van het geld van Giro 555

Hongersnood Van de 33 miljoen euro die vorige maand via Giro 555 werd ingezameld, besteden de Samenwerkende Hulporganisaties ongeveer een kwart in Zuid-Soedan. NRC volgt het spoor van de 800.000 euro die een van die organisaties, Stichting Vluchteling, uitgeeft in een van de zwaarst getroffen gebieden.

Twee vrouwen houden hun ondervoede kinderen vast in Ganyiel, Zuid-Soedan. Is dit hongersnood of chronische armoede, vraagt een hulpverlener van de plaatselijke kliniek zich af. Foto Albert Gonzalez Farran/AFP

Het is dringen op het geïmproviseerde vliegveld van Juba, de hoofdstad van Zuid-Soedan. Hulpverleners persen zich door metaaldetectors in een tent die dienst doet als vertrekhal. Het Wereldvoedselprogramma, Artsen zonder grenzen, Oxfam, Welt Hungerhilfe: ze gaan allemaal mee in dezelfde file die elke ochtend uitvliegt naar alle windstreken van Zuid-Soedan. De hulpkaravaan.

We zijn uitgenodigd door het International Rescue Committee (IRC), een Amerikaanse hulporganisatie. IRC ontving na de inzamelingsactie op Giro 555 in maart 800.000 euro van zijn Nederlandse partner, Stichting Vluchteling. Het geld wordt besteed in het district Panyijiar, in het zuiden van Unity State.

Unity State is het hart van de hongersnood die volgens de Verenigde Naties meer dan 20 miljoen mensen in vier landen bedreigt. Het district Leer is op de kaarten van de hulpverleners donkerroodgekleurd. Rood is ‘fase 5’, ofwel: catastrofe, ‘dood is aanstaande’, hongersnood. Panyijiar ligt ten zuiden van Leer en verkeert in fase 4: ‘emergency’. Dat wil zeggen: ernstige ondervoeding, hongersnood als er niet wordt ingegrepen. Het is een opvangplek voor de Zuid-Soedanezen die de gevechten van het regeringsleger met de oppositie hebben weten te ontvluchten. Een kwart van de twaalf miljoen Zuid-Soedanezen is op de vlucht.

NRC studio

Het dorp Nyal in Panyijiar is omgeven door moerassen, de uitlopers van de Witte Nijl. Nyal is alleen per helikopter bereikbaar. Het gebied is in handen van de oppositierebellen van SPLA-IO en is omsingeld door de regeringstroepen van president Salva Kiir. De weg naar de hoofdstad Juba – en naar de markt – is afgesloten. Het gebied wordt in leven gehouden door hulporganisaties, waaronder IRC.

Op de landingsstrook van Nyal worden we opgewacht door Dalia al-Awqati, een Amerikaanse van Iraakse komaf, die ons meeneemt naar het kamp van IRC. Dat lijkt al heel wat crises te hebben doorstaan. Hulpverleners verblijven in tenten. Stroom is er slechts een paar uur per dag dankzij een generator, die loopt op ingevlogen diesel. „Onze operationele kosten zijn heel hoog”, legt al-Awqati uit. „Alles wat je hier ziet moet worden ingevlogen.”

Ze brengt ons naar een kliniek waar vluchtelingen uit Leer en naburig Mayendit worden opgevangen. Het dak is vorige week gerepareerd met nieuwe houten balken en golfplaten. Er staan zestien bedden, met muskietennetten. Er is geen airconditioning. Alles bij elkaar een investering van een paar duizend euro, schat ik. „Betaald met Nederlands geld”, zegt al-Awqati.

Het eerste dat opvalt is dat het niet stormloopt in de kliniek. Er verblijven vijf moeders met hun baby’s. We tellen elf lege bedden. Is dit de ‘emergency’ waar de Verenigde Naties het over hebben? Is dit hongersnood? „Veel vluchtelingen verblijven op plekken waar wij niet kunnen komen. Dat is het probleem met hulpverlening in Zuid-Soedan”, zegt al-Awqati. Maar als niemand op de plekken kan komen waar de hongersnood is, hoe weten we dan hoe hoog de nood is? En als de hulp de vluchtelingen niet bereikt, waaraan wordt de 800.000 euro dan besteed? Al-Awqati belooft een overzicht van de uitgaven. „Later.”

Dit ontheemde kind is gevlucht voor gevechten in Zuid-Soedan en komt op 5 april aan in het noorden Uganda.Foto James Akena/Reuters

Zaterdag 29 april

Wakker om half zes. Buiten de tent piept de waterpomp. Aasgieren pikken de resten van het avondmaal, gebraden kip, uit de vuilnisbak. De hulpverleners ontberen iedere luxe. Het toilet is een gat in de grond met twee voetstappen, de longdrop. Er is geen ontbijt, wel oploskoffie. Het kamp telt twintig man personeel. Een aantal vrouwen houdt het kamp schoon en bereidt lunch en avondeten voor. Er is bewaking aan de poort. Er zijn ook vier leden van het ‘Emergency Response Team’, allen niet-Soedanezen die door het hoofdkantoor van IRC in de Verenigde Staten naar crises worden gestuurd.

We keren terug naar het ‘stabilisation centre’, de met Giro 555 euro’s gefinancierde kliniek. Het is nog steeds stil. Er zijn geen nieuwe vluchtelingen bijgekomen. Een moeder vertelt hoe ze met haar kind de gevechten in Mayendith moest ontvluchten. „We hoorden schoten en zijn de moerassen in gerend.” Haar baby plaatste ze op een plastic zeil. Na vijf dagen waden bereikte ze de kliniek.

Al-Awqati vertelt dat IRC de afgelopen week lokale medewerkers heeft getraind om als mobiele emergency teams vluchtelingen hulp te bieden in de moerassen. Deze teams zijn een van de uitgavenposten die Stichting Vluchteling specifiek noemt in een email vanuit Nederland. De mobiele teams zijn nog niet operationeel. Vandaag gaat niemand de moerassen in.

Vluchtelingen in Zuid-Soedan lopen richting de grens met Uganda. Foto Jerome Delay/AP

Zondag 30 april

We vertrekken naar Ganyiel, een dorp in het zuiden van Panyijar. Direct buiten de bebouwde kom staan de verlaten pantserwagens van het regeringsleger. Twee jaar geleden probeerden regeringstroepen dit gebied terug te veroveren op de rebellen van SPLA/IO. De aanval werd afgeslagen.

Ook Ganyiel is gebouwd rondom een landingsbaan. Ook hier zijn geen sporen van een functionerende overheid te vinden. Het Duitse Welt Hungerhilfe, het Britse UKaid en IRC financieren een kliniek in Ganyiel waar cholera wordt bestreden. Er is ook een kliniek waar hulp wordt verleend aan ondervoede kinderen. Een papier aan de muur laat zien dat deze kliniek in de afgelopen zestien maanden 311 kinderen behandelde, gemiddeld twintig per maand. Negen kinderen overleden.

Is dit hongersnood? Of chronische armoede? De Zimbabweaan Leo Matunga is al zeventien jaar hulpverlener. Hij vraagt zich af of de jaren van hulp werkelijk iets hebben kunnen veranderen aan de omstandigheden in dit gebied. „IRC zit nu 23 jaar hier. Wat kunnen we na al die jaren laten zien? Al die miljoenen die er in gestoken zijn en dan kijk je om je heen: is dat alles? Mensen bewerken het land niet meer, ze leven van onze hulp.”

Ik leg hem citaten voor uit een interview met Jok Madut Jok, de directeur van de denktank Sudd Instituut die we voor vertrek spraken in de hoofdstad Juba. Jok Madut schreef drie lijvige boeken over Soedan en was een aantal jaren hulpverlener. Hij vindt dat de hulporganisaties uit Zuid-Soedan moeten vertrekken omdat ze een alibi zijn geworden voor de regering van president Salva Kiir, die de helft van zijn budget aan wapens uit geeft. „De hongersnood is het gevolg van oorlog, niet van voedseltekorten of een gebrek aan middelen.” Hij wijst erop dat toen Zuid-Soedan in 2011 onafhankelijk werd van het islamitische noorden, het een middle-income country was dankzij de olie-inkomsten. „Maar het geld werd gestolen. En het westen sprong in het gat. De enige geasfalteerde weg in Juba is aangelegd door Amerikanen. Als je stopt met die hulp, zal het Zuid-Soedanezen dwingen voor zichzelf te zorgen.”

Hulpverlener Matunga schudt zijn hoofd. „Wij zijn er om levens te redden. Wij hebben beloofd dat we niemand zullen laten lijden. En dat we de hulp niet zullen gebruiken als drukmiddel voor onderhandelingen met de autoriteiten.”

Familieleden brengen een vrouw met malaria naar een tijdelijk ziekenhuis.Foto Stringer/AFP

Maandag 1 mei.

De Dag van de Arbeid is geen vrije dag voor de hulpverleners. Na een korte stop bij de kliniek rijden we door naar een huisje met golfplaten in een van de naburige dorpen. Er wachten dertig moeders. Kinderen worden gewogen. De dikte van hun armpjes wordt gemeten met een armband. Als de armband rood laat zien, krijgt de baby plumpy’nut, het voedsel voor ondervoede kinderen, gemaakt van pindanoot en poedermelk. Buiten wacht het dorpshoofd op een stoel tot de hulpverleners klaar zijn. „We zijn heel dankbaar voor de hulp”, zegt hij. „Maar door de oorlog kunnen we ons land niet verbouwen. In plaats van voedsel te geven zouden de leiders van deze wereld de oorlog moeten stoppen. Dan kunnen we weer voor onszelf zorgen.”

We rijden door naar een volgende nederzetting. Een moeder en kind worden opgehaald voor verzorging in de kliniek. Ik wijs een van de hulpverleners op een meisje dat hoge koorts lijkt te hebben. Zweet druipt van haar opgezwollen voorhoofd. „Heeft zij geen malaria”, vraag ik aan de meegereisde hulpverleners. De vraag lijkt te verdrinken in het kabaal.

Een moeder zit met haar ondervoede kind bij een ziekenhuis. Foto Stringer/AFP

Dinsdag 2 mei

„Ik heb je een mail gestuurd”, zegt Dalia al-Awqati. Ze heeft de verdeling van de 800.000 euro uitgewerkt:

Support aan bases in het veld:  € 25.174 (3,1 procent)

Steun aan hoofdkantoor Zuid-Soedan: € 108.165 (13,5 procent)

Transport: € 48.511 (6,1 procent)

Personeel: € 387.207 (48,4 procent)

Supplementen (voedsel en medicijnen): € 174.942 (21,9 procent)

Indirecte kosten: € 56.000 (7,0 procent)

Iets meer dan 20 procent gaat dus op aan directe hulp zoals medicijnen en voedsel als de plumpy’ nut. De rest gaat op aan personeel en operationele kosten.

Ik neem contact op met Tineke Ceelen van Stichting Vluchteling. Is dit de bedoeling van de Giro 555 actie? „In dit soort projecten is personeel de grootste kostenpost. Dat is logisch. We hebben in Zuid-Soedan 303 man personeel, van wie 25 niet-Soedanezen. Therapeutisch voedsel en een deel van de medicijnen krijgen we van de VN, daar zitten de kosten niet.” Maar waar zijn de lange rijen met broodmagere vluchtelingen dan, die we ons voorstellen bij een hongersnood? Waar is de paniek?

„Ik denk dat we hier in de bil gebeten worden door onze eigen beeldvorming. Toen ik in 2011 naar Dadaab, op de grens van Kenia met Somalië reisde tijdens de hongersnood, zag ik die lange rijen met broodmagere Somaliërs ook niet. Maar er ging wel een kwart miljoen mensen dood. De Samenwerkende Hulporganisaties hebben bij de inzameling geprobeerd weg te blijven van dat oude beeld van honger, maar dat zet je niet recht in een jaar tijd.”

Een net aangekomen, ontheemd kind ligt te slapen bij een grenspost in Uganda. Foto Isaac Kasamani/AFP

Woensdag 3 mei

Opwinding in het kamp van IRC. Dit is de dag waarop veel hulpverleners terugkeren naar hun bases. Het International Rescue Comittee organiseert een conferentie in Boston. Dalia al-Awqati en Leo Matunga pakken hun koffers. De expats vertrekken en wij ook. De komende weken moet Zuid-Soedan zichzelf redden.