God is een ei en Finland is ideaal, daar komt het op neer

Lichamen, poppen, acteurs worden ingezet op de Biënnale Venetië, die vandaag opent. Er is kunst die onder je huid kruipt, maar ook holle esthetiek.

Foto Vincenzo PINTO/AFP

Twee vervaarlijk ogende Dobermanns bewaken het Duitse paviljoen op de Biënnale van Venetië. Het neoclassicistische gebouw is omheind door hoge stalen hekken en oogt als een gevangenis, of beveiligde tbs-kliniek. Binnen is de sfeer zo mogelijk nog grimmiger. Bezoekers lopen over een verhoogde, glazen vloer, terwijl daaronder androgyne, sjofel ogende jongeren rondhangen op matrassen. Zijn het drugsverslaafden, psychiatrische patiënten wellicht? Een bleek meisje probeert met een aansteker de vloer in brand te steken. Een roodharige jongen ontbloot zijn buik en steekt zijn tong uit, zijn adem bewasemt het glas.

Wat is hier gaande? Onder de vloer liggen katapulten en kogeltjes. Sm-achtige tuigjes – of zijn het dwangbuizen? – hangen aan haken aan de muur. Maar ook bovengronds zijn de jongeren geïnfiltreerd. Ze zitten als levende sculpturen op voetstukken van glas. Ze kijken je aan zoals dieren of kinderen dat kunnen: ongegeneerd, onbevangen. Als je naar ze lacht, staren ze boos terug. Praten doen ze niet, ze communiceren met elkaar via whatsapp – als een leger van zombies.

De performance Faust van de Duitse kunstenaar Anne Imhof is nu al de grote hit van de Biënnale, de tweejaarlijkse tentoonstelling die vanaf dit weekeinde zeven maanden geopend is voor het publiek.

Al lange rijen

Tijdens de voorbezichtigingsdagen stonden er al snel lange rijen voor het Duitse paviljoen. Faust is zo’n presentatie waar je jaren later nog steeds aan terug zal denken, zoals dat in het Duitse paviljoen eerder gebeurde met de bijdragen van Gregor Schneider (in 2001) en Tino Sehgal (in 2005). Het is nauwelijks te omschrijven wat je precies ziet en juist daarom kruipt dit kunstwerk onder je huid.

87 landen doen er deze editie mee aan de Biënnale, waarvan er dertig hun eigen, vaste paviljoen hebben in de Giardini. Op het biënnaleterrein is het dit jaar tijdens de voorbezichtigingsdagen drukker dan ooit, omdat er behalve kaarten voor pers en genodigden nu ook kaarten in de voorverkoop werden aangeboden. Wie er een paar honderd euro voor over heeft, mag al naar binnen. Bij populaire paviljoens als die van Frankrijk, Finland en de Verenigde Staten zijn de rijen buitenproportioneel.

Zoals altijd is er is veel goed bedoeld, maar naïef idealisme. In het Hongaarse paviljoen verwelkomt kunstenaar Gyula Várnai de bezoekers met een groot neonwerk van een vredesduif met de tekst Peace on Earth! In het Tjechische paviljoen drijven kitscherige zwanen op een glimmende vloer die, volgens kunstenaar Jana Zelibska „het menselijke verlangen naar vastigheid representeren in een wereld die constant verandert”. Ook het Russische paviljoen zoekt het in holle, pathetische esthetiek. Een leger aan witte terracotta figuurtjes met opgeheven armen, gemaakt door Grisha Bruskin, symboliseert daar de mensenmassa die blindelings zijn leider volgt.

Finse humor

Het beste is beeldende kunst op het moment dat zij ontregelt. Dat gebeurt bij de Finnen, waar Nathaniel Mellors en Erkka Nissinen met hun onnavolgbare humor de Finse maatschappij langs de meetlat leggen met een voorstelling die al net zo moeilijk is na te vertellen als Faust. God is een ei, daar komt het op neer. En Finland is met zijn gratis onderwijs en progressieve belastingwetgeving de ideale sociale samenleving die als voorbeeld kan dienen voor de rest van de wereld. „Gewoon, een heel groot Finland, met een beetje oceaan met veel haring eromheen.”

In het verduisterde Finse paviljoen wordt het verhaal van Planeet Finland verteld aan de hand van twee bewegende poppen, die videoprojectoren op hun hoofd torsen en zo hun ideeën op de muren tonen. De videobeelden dragen duidelijk de signatuur van hun beider geestelijke vaders – de neanderthaler kennen we nog uit de films van Mellors, de plastische animaties zagen we eerder bij Nissinen. De kunstenaars waren al fan van elkanders werk; nu ze elkaar hebben gevonden, stijgen ze samen tot grote hoogte. The Aalto Natives is een perfecte, ranzige, absurdistische satire over thema’s als nationalisme, xenofobie en bureaucratie.

Tentoonstellingen als voorstellingen

Wat opvalt bij een rondgang langs de paviljoens, is dat beeldende kunst steeds vaker raakt aan theater. Tentoonstellingen beginnen steeds meer te lijken op voorstellingen – met poppen bij de Finnen, acteurs bij de Duitsers. Ook in het Oostenrijkse paviljoen worden lichamen tentoongesteld, en ook hier zijn het jonge mensen die door kunstenaar Erwin Wurm op een voetstuk worden getild. Ze zitten doodstil op koffers, of balanceren kaarsrecht op een krukje. Benen en armen steken uit caravans of gootstenen en nemen zo de ruimte in beslag.

Het grote verschil met het Duitse paviljoen is dat Wurm de toeschouwer vooral aanmoedigt mee te doen. Kun je bij Faust alleen maar verbijsterd toekijken, in het Oostenrijkse paviljoen word je verleid zelf een sculptuur te worden. Deftige kunstdames die hun billen door een gat in een oude kampeerwagen steken: het is een fraai en grappig staaltje participatietheater.

Biënnale van Venetië. Tot 26 november 2017 in de Giardini en Arsenale, ’s maandags gesloten