Recensie

Een intellectuele liefdesaffaire

Daniel Kahneman en Amos Tversky

Toen deze psychologen vanachter dezelfde typemachine opschreven hoe de mens naar zichzelf kon leren kijken, deden ze waardevolle ontdekkingen.

Illustratie Martien ter Veen

Lennon en McCartney, Gilbert & George, Watson en Crick. Er zijn talloze voorbeelden van duo’s die naam hebben gemaakt in de muziek, de kunsten of wetenschappen. Kahneman en Tversky horen daar zeker bij, al zeggen hun namen niet iedereen iets. Daniel Kahneman (1934) is nog het bekendst, dankzij zijn boek Thinking fast and slow (2011), waarvan anderhalf miljoen exemplaren werden verkocht, een ongekend aantal voor een populair-wetenschappelijk boek.

Kahneman doet daarin verslag van het onderzoek waar hij vanaf de jaren zeventig met Amos Tversky (1937-1996) de grondslag voor legde. Samen leerden ze ons op een radicaal manier anders naar onszelf te kijken. Zij onderzochten hoe mensen, geconfronteerd met risico’s en onzekerheid, beslissingen nemen. Dat onderzoek heeft tot op de dag van vandaag een enorme invloed, niet alleen binnen de sociale wetenschappen of de economie – het leverde Kahneman in 2002 een Nobelprijs op als grondlegger van de behavioral economics –, maar ook in de politiek, de geneeskunde, de financiële wereld of de sport.

Complexe vriendschap

Nu is er dan een biografie van deze twee onconventionele denkers, van de hand van Michael Lewis. Op fraaie wijze belicht hij hun complexe vriendschap, een intellectuele liefdesaffaire tussen twee volkomen tegengestelde karakters, die uiteindelijk maar op één manier kon aflopen.

Kahneman en Tversky waren kleinzonen van Oost-Europese rabbi’s en hadden een opwindende jeugd: Kahneman in Frankrijk waar zijn joodse familie in de oorlog naartoe vluchtte en in een kippenhok onderdook. Na de dood van zijn vader emigreerde zijn moeder naar Israël, waar Kahneman als legerpsycholoog tests ontwikkelde die nog altijd bij de selectie van nieuwe rekruten worden gebruikt. Ook de genialeTversky zat in het leger, waar hij in verschillende oorlogen gedecoreerd werd voor zijn moed.

Optische illusies

Aanvankelijk doen ze afzonderlijk psychologisch onderzoek naar de menselijke waarneming en besluitvorming, twee gebieden die met elkaar gemeen hebben dat je informatie op een indirecte manier moet verwerven: je kunt immers niet in iemands hoofd kijken hoe die waarneemt of beslissingen neemt. Daarom neemt de onderzoeker zijn toevlucht tot dingen waarbij iets misgaat: optische illusies zeggen veel over de manier waarop we kijken, en het menselijk geheugen kan het beste worden bestudeerd door te onderzoeken hoe je iets vergeet.

Als ze elkaar eind jaren zestig ontmoeten, ontdekken ze in de ander wat ze in zichzelf missen. Kahneman bruist van de ideeën, maar werkt ze bijna nooit uit, terwijl Tversky juist iemand is die de diepte in wil, als hij maar interessant materiaal krijgt voorgezet. Lewis zet de tegenstellingen tussen de twee misschien wat al te zeer aan, maar laat zo wel zien hoe perfect ze elkaar aanvulden. ‘Danny was er altijd zeker van dat hij ongelijk had, Amos wist altijd dat hij het juist had.’

In de jaren zeventig schrijven ze samen, vanachter dezelfde typemachine elkaars zinnen afmakend, baanbrekende artikelen over oordeelsvermogen en besluitvorming. Aan de hand van simpele experimenten met proefpersonen laten ze zien dat de mens helemaal geen rationeel wezen is, en dat bovendien veel van diens irrationaliteit voorspelbaar is. Ons brein blijkt behept met een flink aantal afwijkingen en intuïtieve vooroordelen, die ze in experimenten genadeloos weten bloot te leggen: ‘We bestuderen geen artificial intelligence’, zei Tversky ooit, ‘maar natural stupidity.’

Als ze eind jaren zeventig beiden besluiten Israël te verlaten, krijgt Tversky, de meest extraverte en briljante van beiden, aanbiedingen van gerenommeerde universiteiten als Harvard en Stanford, terwijl Kahneman het moet doen met de universiteit van British Columbia. Tversky krijgt eredoctoraten, en een prestigieuze McArthur Genius Award, Kahneman niet.

Dat vergroot de spanning tussen de twee die los van elkaar hun onderzoek voortzetten met anderen. Hun vriendschap is dan gedoemd. ‘Amos was veranderd. Als ik hem vroeger een idee vertelde, dan zocht hij eerst wat daar voor goeds in zat, wat eraan klopte. Dat deed hij niet langer.’ Op een zeker moment, na een moeilijk gesprek, zegt Kahneman letterlijk de vriendschap op: ‘I divorced him.’ Drie dagen later belt Tversky hem op met de mededeling dat hij kanker heeft en nog maar een half jaar te leven. In de laatste maanden voordat hij in 1996 op 59-jarige leeftijd overlijdt, komt het nog wel tot een soort van hereniging.

Ontdekkingen

Een flink deel van het boek mag overbodig lijken voor wie Thinking fast and slow al las, maar Lewis is een uitstekend schrijver, en het is een plezier om aan zijn hand nog eens langs de ontdekkingen van Kahneman en Tversky te worden geleid. Zo komt ook ‘peak-end rule’ langs: onze herinneringen aan gebeurtenissen worden bepaald door het (meest intense) hoogtepunt én door wat er gebeurde aan het eind. Dat is ook precies de indruk die dit boek achterlaat. Het hoogtepunt is de beschrijving van de periode van intellectuele samenwerking, van creativiteit, van het plezier in het doen van ontdekkingen en in het ontmaskeren van nooit betwiste opvattingen, maar het is zeker ook ‘the undoing’ van hun relatie aan het eind, de onvermijdelijke teloorgang van een vriendschap die mooie herinneringen nalaat aan een boek, dat net als eerdere van Lewis, het verdient om verfilmd te worden.