Een gevangenis zonder tralies

Jonge mannen in voorlopige hechtenis kunnen sinds vorig jaar terecht in een ‘Kleinschalige Voorziening’. Hun vrijheid en inspraak is er relatief groot. „Gisteren kwamen mijn zusjes langs, we zaten gewoon samen op de bank.”

De Kleinschalige Voorziening in het Amsterdamse stadsdeel Nieuw-West. Fotografie Olivier Middendorp

Het is half vijf in de middag. De eerste bewoners komen terug van hun dagbesteding. Huismeester Henk Djojopawiro opent de deur voor een jongen met een zwarte transportfiets. Die legt wat binnen verboden is – een telefoon, sleutels, geld, een ov-kaart – in zijn kluisje. Hij steekt zijn smalle armen in de lucht, zodat Djojopawiro hem kan fouilleren. De jongen heeft „enorme spierpijn” van het sporten, vertelt hij de huismeester.

Middenin in een woonwijk in het Amsterdamse stadsdeel Nieuw-West staat sinds september vorig jaar een experimentele jeugdgevangenis. Een pand zonder hoge muren, tralies of veiligheidsglas, waar alleen tussen tien uur ’s avonds en zeven uur ’s ochtends de deur op slot gaat. Overdag mogen de acht bewoners – jongens van 14 tot 24 jaar oud die in voorlopige hechtenis zitten – naar school, werk, stage of hulpverlening buiten de deur. Het is een experiment; als dat slaagt komen er mogelijk door heel Nederland dit soort ‘Kleinschalige Voorzieningen’, als alternatief voor de justitiële jeugdinrichtingen.

Het fouilleren valt niet altijd mee, vertelt Djojopawiro als hij weer op zijn wachtpost op de eerste etage zit. „Die gasten hebben soms vier trainingsbroeken én een spijkerbroek aan. Een klein stukje hasj vind je niet.” Maar belangrijker dan softdrugs zijn volgens hem de steekwapens. Die mogen onder geen beding naar binnen.

Djojopawiro is een breedgeschouderde man met gemillimeterd haar. Hij werkte vijftien jaar als nachtbewaker en hoofd beveiliging bij Amsterbaken, een in 2015 gesloten Amsterdamse justitiële jeugdinrichting.

De verschillen tussen zijn oude en nieuwe werkgever zijn groot. „Bij Amstelbaken moesten jongeren die buiten waren geweest zich helemaal uitkleden en drie keer voor mij bukken”, zegt hij. „Er waren hoge hekken die onder stroom stonden en ramen die wel vijftig mokerslagen aankonden.” Elke week werden enkele ramen vervangen – omdat ze wit waren uitgeslagen door de klappen.

In het begin had Djojopawiro moeite met zijn overstap. De mini-jeugdgevangenis heeft niet alleen een opener karakter, de huismeester moet ook meer rekening houden met de bewoners. Problemen die niet in het huishoudelijke reglement zijn opgenomen, moet Djojopawiro oplossen ‘in samenspraak met de jongeren’. „Op Amsterbaken hadden we een groot calamiteitenboek waarin álles stond beschreven”, zegt hij. „Daar ben je beveiliger voor, om te weten: groen is doorlopen en rood is stoppen. Maar de projectleider hier vroeg me: hoezo meer regels?”

Inmiddels begrijpt Djojopawiro wat hij bedoelde. „In plaats van regels op te leggen, heb ik geleerd dingen met de jongens te doen, zoals sporten en koken. En ik merk dat je daar veel meer mee bereikt. Een aantal jongens luistert nu echt naar me. Ik was gewend dat ze mijn woorden negeerden en wegkeken.”

Nederland, Amsterdam, 01-05-2017.
Kleinschalige Voorziening, jeugdinsteling. Op foto huismeester Henk.
Foto: Olivier Middendorp

Roofovervallen

Het is half zes in de avond. Tijd voor Djojopawiro om te gaan koken op de eerste etage, in de woonkamer met open keuken. De inrichting is sober, maar heeft meer weg van een jeugdherberg dan een gevangenis. Behalve een grote eettafel is er een zithoek met televisie en Playstation. Boven, op de tweede etage, zijn acht kamers met toilet, douche, kledingkast en bed. Sinds de opening in september, hebben 28 jongeren in deze Kleinschalige Voorziening gewoond, voor een periode van vijf dagen tot drie maanden.

Terwijl de geur van kip uit de oven opstijgt, wisselen vier jongeren aan de eettafel de laatste nieuwtjes uit: wie is wanneer voorgeleid en wat heeft de rechter besloten. Ze worden verdacht van misdrijven als roofovervallen en inbraken, maar willen er niet over praten.

Een 14-jarige jongen in een grijs trainingspak en met plastic Armani-slippers, werkt geconcentreerd aan zijn scriptie over matchfixing. Acht dagen verblijft hij nu in de Kleinschalige Voorziening. Zijn advocaat heeft het verblijf voor hem geregeld, zegt hij zelfverzekerd. Eerder zat de jongen twee weken in De Hartelborgt, een justitiële jeugdinrichting in Spijkenisse. Daar ging hij ook naar school, maar zijn prestaties telden niet mee voor een rapport of diploma. „Ik loop nu achter op mijn vmbo-t-school”, zegt hij. „Ik moet echt heel veel inhalen.”

Aan toelating tot de KIeinschalige Voorziening gaat een intensieve screening vooraf. De jonge verdachte moet een vorm van dagbesteding hebben en mag geen geharde crimineel zijn. Ook jongeren die verslaafd zijn of een zedendelict hebben gepleegd, zijn niet welkom. „De Raad voor de Kinderbescherming is goud waard”, zegt projectleider Ruud Jacobs, afkomstig uit de jeugdreclassering voor jongeren met een verstandelijke beperking.

„Hier kunnen ze uit het raam springen als ze dat willen, maar die behoefte voelen ze niet”

Samen met de Raad selecteert Jacobs de nieuwe bewoners. In overleg met de reclassering – die de regie over de jongeren houdt – wordt vervolgens vastgesteld hoeveel vrijheid zij krijgen. Mogen zij bijvoorbeeld af en toe thuis een hapje eten? Jacobs: „Soms kan dat écht niet omdat de familie tien keer zo crimineel is als de jongere zelf.”

Eind januari ging het voor het eerst goed mis in de Kleinschalige Voorziening. „Een jongen ging op zijn kamer helemaal uit zijn plaat”, zegt Jacobs. „Hij probeerde alles te slopen. Uiteindelijk is hij in de time-out ruimte gezet, die hadden we tot die tijd nog nooit gebruikt.”

De dagen voor het incident had de jongen beneden in de huiskamer al voor onrust gezorgd, vertelt de projectleider. Andere bewoners werden door hem uit de tent gelokt.

Later bleek dat uit tijdgebrek een stap was overgeslagen bij de selectieprocedure: de ‘motivatiecheck’ door de kinderrechter of officier van justitie. „Dat was voor ons een belangrijke les”, zegt Jacobs. „Hij bleek hier dus absoluut niet te willen zitten.”

Eerst kreeg de jongen een gele kaart, daarna een rode en vervolgens werd hij opnieuw voorgeleid aan de rechter-commissaris en in een justitiële jeugdinrichting geplaatst. Eerder gebeurde dat met twee jongens die op een avond waren weggelopen. Jacobs: „De volgende ochtend stonden ze hier uit zichzelf weer voor de deur, maar toen was het natuurlijk einde verhaal.”

Veel bewoners van de Kleinschalige Voorziening renden als laatste weg bij een misdrijf, vertelt Jacobs. Naar schatting de helft heeft een lichte verstandelijke beperking. „Vaak worden ze bewust opgeofferd door de groep. Soms stonden ze alleen maar toe te kijken terwijl een delict werd gepleegd.”

Toch kan een arrestatie voor hen positief uitpakken, zegt pedagogisch medewerker Romy van Dusseldorp. De jongeren krijgen een goede coach die hen helpt uit handen van de grote jongens te blijven en hun leert hun vrije tijd op een andere manier in te vullen.

Ook de traditionele jeugdgevangenissen zorgen goed voor kwetsbare first offenders, zegt Van Dusseldorp, die in twee justitiële jeugdinrichtingen heeft gewerkt. „Maar anders dan hier ligt het ‘gewone’ leven van jongeren daar helemaal stil. Als ze na pakweg zes weken terugkomen, kunnen ze niet meer terecht op hun oude school omdat ze te veel lessen hebben gemist. En ook op hun bijbaanadres en de sportclub zijn ze vaak niet meer welkom.”

Een ander groot verschil is volgens haar dat bewoners van justitiële jeugdinrichtingen zich meer opgesloten voelen. „Sommige jongeren denken de hele dag: ‘Hoe kom ik eruit?’ Hier kunnen ze uit het raam springen als ze dat willen, maar ze voelen die behoefte niet.”

Handtekeningenactie

Boze buurtbewoners organiseerden vorige zomer een handtekeningenactie tegen de komst van de Kleinschalige Voorziening. „Ze dachten dat hier verslaafden en zedendelinquenten zouden komen te wonen”, zegt Jacobs.

De Amsterdamse burgemeester Van der Laan schreef bewoners een brief waarin hij een aantal maatregelen aankondigde. Er zou een bewonerscommissie worden opgericht met een vertegenwoordiger van het stadsdeel. Er zouden extra straatcoaches worden ingezet om een oogje in het zeil te houden en de overlast van hangjongeren in de wijk te beperken. De straatcoaches komen elke dag langs. Jacobs: „Wij kennen elkaar goed, dat werkt veel beter dan protocollen.”

Een garantie op veiligheid bestaat niet. Maar de persoonlijke band tussen het personeel en de jongeren vergroot volgens Jacobs wel sterk de veiligheid. Alle jongeren mogen iemand kiezen met wie ze de onvermijdelijke ‘moeilijke’ gesprekken voeren. Over de delicten die zij hebben gepleegd, of over hun toekomstplannen.

Huismeester Djojopawiro wordt van alle medewerkers het vaakst gekozen. „Henk is gewoon chill”, zegt een jongen die net is teruggekeerd van zijn stage bij een winkelbedrijf – hij heeft zijn blauwe werkjasje nog aan. „Ik leer veel van hem, hij heeft dingen gezien.”

Djojopawiro is opgegroeid in Nieuw-West, in één van de meest onveilige buurten van Amsterdam. „Ik was vroeger ook een bengel”, zegt hij. „Thuis kreeg ik weinig sturing en op straat werd ik omringd door de verkeerde mensen. Op straathoeken zag je altijd groepen van dertig à veertig jongeren, dat kan je je nu niet meer voorstellen.”

Soms raden de pedagogisch medewerkers – er zijn er altijd twee aanwezig in de voorziening – Djojopawiro af om over zijn eigen jeugd te vertellen. Hij begrijpt hun zorg, maar vindt dat zijn aanpak goed werkt. „De jongens vragen mij bijvoorbeeld hoe ze van hun agressie kunnen afkomen. Dan zeg ik eerst: ‘Achteraf heb je verdriet omdat je dingen stuk hebt gemaakt, je krijgt huilbuien.’ Dat herkennen ze. Daarna leer ik hun dat ze ook anders kunnen reageren als ze boos zijn, dat het hun eigen keuze is.”

Verlengd voorarrest

Tijdens de maaltijd vertelt een vijftienjarige jongen met flinke wallen onder zijn ogen dat hij „kapot moe” is. Hij kan zijn gedachten er maar moeilijk bijhouden. Tegen de regels in zet de jongen nu en dan zijn zwarte pet op zijn hoofd. De dag verliep anders dan hij had gehoopt. Hij moest naar de rechtbank, waar hij te horen kreeg dat zijn voorarrest met dertig dagen wordt verlengd. „Uit de manier waarop de advocaat sprak, concludeerde ik dat ik naar huis mocht”, zegt de jongen. „Maar toen de officier van justitie begon te praten was alles opeens heel anders.”

Het was niet de enige tegenvaller. Omdat hij morgen zestien wordt mocht hij vandaag met zijn vader naar de kapper. Daar bleken zes klanten voor hem te zitten, hij had geen tijd te wachten. „Ik geef je 20 euro als je mij eerst knipt, zei ik tegen de kapper. Dat wilde hij niet.”

Goed gedrag

Om half negen ’s avonds verlaat de jongen met de transportfiets zijn kamer, waar hij rapteksten heeft geschreven. Hij warmt een maaltijd op in de magnetron en vertelt dat hij naar Back on Track is geweest, een Amsterdams project voor jongeren zonder schoolopleiding. „We zijn op bezoek geweest bij een leerplichtambtenaar. Gisteren kreeg ik les in Nederlands. Er kwamen dingen langs die ik ooit vaag heb gehoord, maar nu let ik echt op.”

De Kleinschalige Voorziening is niet met thuis te vergelijken, zegt hij. „Maar het is ook weer geen gevangenis. Gisteren kwamen mijn zusjes langs, we zaten gewoon samen op de bank. Het is een vriendelijke omgeving om je zusjes te ontvangen.”

Hij kent veel jongeren die ‘niet beter’ zijn geworden in een justitiële jeugdinrichting. „Een vriend van mij is daarna echt het criminele pad op gegaan, samen met mensen die hij er leerde kennen. Hier ben je omringd door begeleiders die het goed met je voorhebben, zoals die grote man.” Hij doelt op Djojopawiro, die contact met hem hield toen hij weg werd gestuurd van de Kleinschalige Voorziening. „Daarmee liet hij zien dat hij het goed met mij voorheeft.”

De jongen was de eerste bewoner van de Kleinschalige Voorziening. Na vijf weken mocht hij van de rechter begeleid op kamers wonen, maar onlangs moest hij terug in detentie omdat hij zich niet had gehouden aan de regels van de jeugdreclassering. „Wij twijfelden of hij terug mocht komen”, zegt Jacobs. „De Kleinschalige Voorziening is bedoeld als eerste wake-upcall. Maar de officier van justitie en de kinderrechter vonden dat leren met vallen en opstaan gaat. Het gaat nu ook veel beter met hem. Hij laat zich aanspreken op zijn gedrag.”

Morgen begint de jongen aan een anti-agressiecursus bij De Waag, een landelijk centrum voor forensische geestelijke gezondheidszorg. Zijn vader wil dat hij na de voorlopige hechtenis weer thuis in Amsterdam komt wonen, maar de jongen twijfelt. „Dan ga ik ook terug naar de straat waar ik alles heb geleerd. In een zwembad met piranha’s en haaien heeft het geen zin om aardig te zijn. Begrijp me niet verkeerd, mijn vrienden zijn goede mensen. Maar goede mensen hoeven niet altijd goed voor jou te zijn.”