Column

De cultuurstrijd om de mening van vrijheidsuiting

Internet is het ideologische slagveld geworden in de strijd om de macht. Verkiezingen zijn niet langer de maat der dingen, betoogt Hubert Smeets.

Demonstratie van Pegida in Amsterdam, februari vorig jaar. Foto Remko de Waal/ANP

Bijna anderhalf jaar geleden, bij een demonstratie in Amsterdam van de Patriotische Europäer gegen die Islamisierung des Abendlandes, legde een Pegida-aanhanger uit waarom hij meedeed. Het ging om de ‘mening van vrijheidsuiting’, zei hij. Dat was geen verbastering, maar in de roos.

Mening van vrijheidsuiting is het adagium van de blogosphere, waarin een steeds hardere cultuurstrijd om de macht wordt uitgevochten. Bijna niets wordt daarbij geschuwd. Ook mishandeling van de geschiedenis niet. Was tussen pakweg 1966 en 1980 een politieman die zijn bullenpees gebruikte een fascist en soms een SS’er, tegenwoordig ben je ook zonder knuppel links of rechts al snel een fascist of NSB’er.

Kan de beschaving dus wel wat marktwerking gebruiken, zoals NRC in een commentaar zaterdag verzuchtte? Wellicht heeft de markt een beschavingsmissie, al ontkende de vroegere NRC-columnist J.L. Heldring een en andermaal dat het kapitalisme er een moraal op nahoudt.

Invisible hand van de markt of niet, er is meer aan de hand. Internet is het ideologische slagveld geworden voor een Kulturkampf, die sinds het begin van deze eeuw gaande is in de postindustriële wereld, zeker in het protestantse Westen. In die cultuurstrijd wordt het gezag betwist van die generaties en elites die, boud gezegd, sinds de jaren zestig dominant zijn in het semi-publieke domein, vooral in het onderwijs, de wetenschap, de kunst, de media en andere sectoren voor opvoeding en moraal. Er is via internet een stormloop gaande op alles wat afgelopen halve eeuw stapsgewijs gemeengoed leek.

Ook de staat zelf is in het geding. De staat is immers van de elite en ‘dus’ in verkeerde handen. Toch is die bestorming niet louter politiek. Verloren verkiezingen, zoals in Frankrijk, zijn daarom geen reden even gas terug te nemen. Terwijl de stembussen in Frankrijk nog open waren, twitterde de Brexiter Nigel Farage al monter: „Marine Le Pen will be French president by 2022.

Je zou Farage gebrek aan respect voor de meerderheid der Franse kiezers kunnen verwijten. Maar dat raakt de kern niet. In zijn concept zijn verkiezingen geen beslissende momenten die tot reflectie nopen. Verkiezingen zijn slechts instrumenten in een bredere cultuurstrijd.

Maar dat was ooit toch een links idee? Zeker. Farage is leerling van de buitenparlementaire linkse Duitse studentenleider Rudi Dutschke (1940-1979), de man die in 1967 opriep tot een „mars door de instellingen” om zo het fundament te leggen voor een omwenteling ten koste van de „repressief tolerante” parlementaire democratie, zoals het toen heette.

Hier steekt de ook al linkse Antonio Gramsci (1891-1937) zijn neus om de hoek. Deze Italiaanse communist verwierp het simpele marxistische idee dat ons materiële zijn één op één onze ideeën bepaalt. Hij draaide de klassieker „eerst komt het vreten, dan de moraal” om. Volgens Gramsci was „hegemonie” over ons denken over mens en maatschappij een belangrijkere voorwaarde voor echte revolutie dan veel parlementszetels.

Het is deze strijd om de „hegemonie” die op internet woedt. Conform Gramsci ondermijnen de stormlopers alles waaraan de elite waarde hecht, of het nu gaat om persoonlijke omgangsvormen of culturele consensus. Ze bouwen zo aan hun eigen tegenhegemonie die de boel kan overnemen als de zetels eenmaal komen binnenrollen. Wie denkt dat deze aanvallen met een paar succesvolle verkiezingen kunnen worden afgewend, vergist zich deerlijk.

Oost-Europa-expert Hubert Smeets schrijft om de week met redacteur geopolitiek Michel Kerres over de kantelende wereldorde.