Column

Verbeter de euro, begin bij jezelf

En zo brak zondag de zon door in de eurozone. De voormalige Rothschild-bankier Emmanuel Macron won de Franse presidentsverkiezingen met een moderne, kosmopolitische agenda. Maandag werd een dag waarop Europa, eindelijk, weer eens met goede moed vooruit kon kijken.

De sfeer was toch al niet slecht. De euro-economie groeide in het eerste kwartaal harder dan die in de Verenigde Staten, en de stemming onder consumenten en ondernemers loopt zelfs vooruit op nog betere cijfers. Het continent lijkt ook een nieuwe gezamenlijke vastberadenheid te hebben gevonden in de steeds bitterder onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk over de Brexit.

Is dit het einde van de eurocrisis? Het is een grijsgedraaide plaat, de redenering dat een monetaire unie niet kan zonder politieke unie, maar het is daardoor niet minder waar. De muntunie is in 1999 onaf gestart, in de verwachting dat de voltooiing pas plaats zou vinden onder de dwang van crises. Die zijn er geweest, in 2008 (Lehman), vanaf 2010 (de euro) en anno nu (het opkomende populisme).

Macrons agenda geeft een goede inkijk in wat er nodig zal zijn. Een veel groter federaal budget, dat bijvoorbeeld bestaat uit de afdracht van de nationale btw-inkomsten aan het Brusselse centrum. Als die via een vaste verdeelsleutel weer worden uitgekeerd aan de deelstaten, krijg je iets wat het huidige Amerikaanse systeem benadert: automatische stabilisatoren, die dempend werken.

Daarbij hoort een centrale thesaurie, en dus een eurominister van Financiën. En gemeenschappelijke financiering op de kapitaalmarkt, door middel van ‘eurobonds’ die dan de standaardobligaties worden voor het eurogebied op de financiële markten. En een noodfonds dat kan ontstaan uit het huidige ESM-fonds, waar deelstaten snel en goedkoop terechtkunnen in tijden van crisis – een soort Europees IMF dus.

Macron heeft daarin volkomen gelijk. Maar nog los van de politieke haalbaarheid vergt zo’n nieuwe architectuur wel dat de deelstaten veel sterker op elkaar gaan lijken. En daar zal de nieuwe Franse president zelf behoorlijk aan moeten werken. Klein voorbeeld: zijn beslissing om de pensioenleeftijd te handhaven op 62 jaar getuigt misschien van realiteitszin in de Franse nationale politieke verhoudingen, maar dit soort zaken zal toch echt rechtgetrokken moeten worden om een gemeenschappelijk financieel beleid te kunnen gaan voeren.

Dat geldt afgezien van vele, vele andere voorbeelden ook voor nationale schulden, die sterk in hoogte verschillen. De staatsschuld van Frankrijk is 97 procent van het bbp, de Italiaanse 133 procent, de Spaanse 98 procent, de Duitse 64 procent en de Nederlandse 60 procent. Er is geen Europese Alexander Hamilton. Deze minister van Financiën overtuigde de afzonderlijke Amerikaanse staten er in 1790 van dat de ‘verenigde’ staten met een schone lei moest beginnen. Dus moesten alle schulden ondanks onderlinge verschillen (en protesten) op één federale hoop.

Dat lijkt allemaal uitermate lastig, zeer pijnlijk en politiek buitengewoon ongewis – of gewoon onhaalbaar. En toch is dit de architectuur waar de euro uiteindelijk naartoe moet. Want het gaat nu goed, de conjunctuur zingt en kwinkeleert zo luid dat we bijna zouden vergeten dat er nog steeds uitzonderlijke monetaire noodsteun plaatsvindt door de Europese Centrale Bank. Maar bij de volgende grote tegenslag manifesteren alle breuklijnen zich weer. Je zou denken dat er nóg een crisis nodig is om de euro te vervolmaken. Of te breken.

Maarten Schinkel schrijft elke donderdag over economie en de financiële markten.