Cultuur

Interview

Interview

Foto´s Frank Ruiter

Teun van de Keuken: ‘Ik was bijzaak’

Programmamaker Teun van de Keuken schreef een roman over zijn ongelukkige jaren als kind van wereldverbeteraars. „Ik was een statement”, zegt hij bij stoofvlees en friet.

Snackbar Eiburgh, gevestigd in anderhalve zeecontainer aan de voet van de Schellingwouderbrug in Amsterdam, bakt volgens de recensies de beste patat van de stad. Maandagochtend, even voor het middaguur, poetst de eigenaar met een schuurspons de duivenpoep van de plastic tuinstoelen en wrijft met z’n mouw de regendruppels van de tafels. Juul, een Vlaamse ex-militair vol tatoeages, zit al in zijn vaste hok aardappels te schillen. Uit de radio klinken The Rolling Stones, aan de metalen muren hangen krantenknipsels waarin de zelfgesneden friet bejubeld wordt, naast twee geplastificeerde posters met daarop in kleurletters ‘ambachtelijk’.

Teun van de Keuken (45) komt in pak en op de fiets. ’s Ochtends heeft hij opnames gemaakt voor een nieuwe serie afleveringen van Keuringsdienst van waarde, dit keer over de herkomst van een aantal oer-Hollandse voedingsmiddelen. Straks zal hij, met „de meest romantische frietkraam” als decor, nog wat interviews draaien over de bekendste pieper, het bintje. Afgelopen week was de 250-ste aflevering van het programma op televisie. Teun van de Keuken was vijftien jaar geleden één van de drie bedenkers van het ‘huishoudjournalistieke’ programma waarin de presentatoren met simpele vragen blootleggen wat voor kolder fabrikanten soms over producten beweren.

Zie Teun van de Keuken in een aflevering van Keuringsdienst van Waarde over kip.

Een praatje over de verloren Feyenoord-wedstrijd met de eigenaar. Die zet, één minuut over twaalf, twee borden friet met stoofvlees en mayonaise voor ons op tafel. Teun van de Keuken drinkt er een blikje chocomel bij. „Ons programma begon heel simpel. Een doosje eieren waarop een weiland staat afgebeeld, in de verte een kerktoren, en een paar kippetjes in het gras. Klopt dat plaatje? Komen die eieren daar echt vandaan? We gingen op zoek, en natuurlijk tref je dan een schuur aan met 100.000 kippen.” Ze bakten op televisie pizza’s af, die niks gemeen hadden met het voorbeeld op de verpakking. Ze liepen mee op bedrijfsterreinen en in fabrieken. Zochten uit of die perfect ronde calamares wel echt van inktvis zijn gemaakt (ja) en of dolfijnvriendelijk gevangen tonijn echt dolfijnenlevens spaart. (Ja, alleen zijn bij deze methode albatrossen en schildpadden de klos).

Teleurgesteld over Tony Chocolonely

Bekend werd Teun van de Keuken met de naar hem vernoemde chocoladereep die hij op de markt bracht, Tony Chocolonely. Het zou de eerste reep zijn die ‘100 procent slaafvrij’ geproduceerd werd, zonder dwang- en kinderarbeid op de cacaoplantages in Afrika. Die claim bleek al snel niet waar te maken, de slogan op het wikkel werd vervangen door ‘op weg naar 100 procent slaafvrij’. Van de Keuken heeft al een paar jaar geen bemoeienis meer met het merk – 18 miljoen euro omzet in 2016 – maar wel kritiek. Van uitbanning van slavenarbeid is niets terechtgekomen, zegt hij in een documentaire over Tony Chocolonely. En: „De uitbuiting lijkt alleen maar erger geworden.” Op de verpakking staat nu: ‘Samen maken we chocolade 100% slaafvrij’.

Wie zijn roman Goed volk heeft gelezen, over een jongetje, Teun, dat opgroeit in een links, wit, intellectueel kunstenaarsgezin, snapt dat je Teun van de Keuken beter niet kunt betichten van activisme of ideologie. Hij beschrijft zijn eigen jeugd in de jaren zeventig, als enige zoon van de bekende fotograaf en filmer Johan van der Keuken (met een extra r, want dat vond zijn vader weer mooier), en halfbroer van de twee zoons die zijn moeder al had.

Zijn ouders zijn begaan met de misstanden in de wereld en willen een ideologisch statement maken tegen de ongelijkheid. Dat statement was Teun. Die moest naar de ‘volkse’ buurtschool De Brug, bezocht door plat pratende Jordanezen en migrantenkinderen.

Arme Teun. Hij kon niet voetballen en niet vechten, zijn handen zaten onder het bloederig eczeem. Een studiebol zonder spieren, die wordt dus gepest. En bij hem thuis werd dan weer neergekeken op wat hij van de ‘gewone mensen’ opstak. De heerlijke karbonaadjes bij een vriendje thuis. „Wij aten macrobiotisch.” De Grease-film die iedereen moest zien. „Die mensen, zei mijn vader, hadden geen verstand van film.” De 1000-stukjespuzzel van De nachtwacht die een andere moeder had opgeplakt en als schilderij aan de muur gehangen. „Wij hadden alleen werk van bevriende kunstenaars in huis.” Het verschil tussen thuis en school zorgde bij hem voor „kortsluiting”.

Laat ik hem dan, heel voorzichtig, maatschappijkritisch noemen. Hoe moet je hem anders betitelen? Hij heeft het over verantwoorde chocola, over misstanden in naaiateliers waar onze kleren worden gemaakt. Hij begint over de onzin van water in flesjes, en de hypocrisie van ‘ambachtelijk bereide pastasaus’ die gewoon uit een fabrieksketel komt. Wat is het verschil tussen zijn kritische blik en die van zijn ouders die hem verboden merkkleding te dragen (want merken verdelen de mensheid in wie het kan betalen en wie niet)? Die weigerden hun schoenen bij Zwartjes te kopen (want fout in de Tweede Wereldoorlog). Die uitsluitend bij middenstanders met de juiste mening wilden winkelen, en zeker niet bij het grootwinkelbedrijf (want uitbuiters) en liefst alles macrobiotisch (want dat is eerlijk „bij maanlicht geoogst” voedsel).

Er is, zegt hij, een héél belangrijk verschil tussen mijn ouders en hun opvoeding en mij. En dat verschil is humor. „Mijn grote held is Jan Blokker.” Columnist van de Volkskrant en nrc.next. „Hij was geestig, vilein, relativerend.” Die toon zoekt Teun van de Keuken voor zijn eigen columns (ook in de Volkskrant) en in zijn programma’s. „Ik krijg elke week wel een brief van iemand die me zuur vindt. Maar, net als Blokker, probeer ik het zo grappig, zo ironisch mogelijk op te schrijven.”

De mening van zijn ouders was allesbehalve grappig. „Het was een levensovertuiging. Preëminent, de mening ging vóór alles. Bij hun links-zijn hoorde een heel pakket. Je stemde PSP, je was tegen kernwapens, voor de krakers, en voor vrouwenemancipatie, ook al kwam het er in ons milieu op neer dat de vrouwen het kunstenaarschap van de man faciliteerden.”

Kinderen zoals ik

Kan het zijn dat het geen statement van zijn ouders was om hem naar een volkse school te sturen, maar gewoon gemakzucht? „Kan best.” Wat de reden ook was, maakt voor hem niet veel verschil. „Het boek is geschreven vanuit het perspectief van een kind. Een kind dat ongelukkig was. Het punt is: dat werd niet gezien. Of alles precies zo is gegaan, heb ik niet nagevraagd bij mijn moeder. Daarom noem ik het een roman.” Zijn vader overleed in 2011.

Hij verbaast zich over een generatie die hyper-elitair en idealistisch was, maar tegelijkertijd alles wat van hun norm afweek, veroordeelde. „Van die generatie krijg ik soms boze reacties op mijn boek. Vaak zijn het bewonderaars van mijn vader. Ze begrijpen niet dat een geweldige kunstenaar niet altijd een geweldige vader is.”

Lees ook de column van Joyce Roodnat: Zonen en lieverds

Goed volk stopt als Teun naar de middelbare school gaat. „Een coming of age-roman gaat meestal over de puberjaren. Maar voor mij was de tijd van mijn zesde tot mijn elfde bepalend.” Daarna ging hij naar het Barlaeus Gymnasium. „Daar waren alle kinderen zoals ik.” De kinderen van schrijver Harry Mulisch, die van componist Peter Schat. Bovendien was het toen een voordeel dat zijn ouders hem wekenlang alleen thuis lieten om samen de wereld over te trekken op zoek naar onrecht. „Kon ik mooi feestjes geven.”

De gouden generatie noemt hij de tijdgenoten van zijn ouders. „Journalisten, filmers, schrijvers. Wat ze gemaakt hebben, is weergaloos.” Zijn vader publiceerde zijn eerste fotoboek op z’n zeventiende. In Wij zijn 17 portretteerde hij leeftijdgenoten en gaf daarmee gezicht aan zijn generatie. „Zijn werk was voor hem het allerbelangrijkste. Nog op z’n sterfbed lag hij foto’s uit te zoeken.” Kinderen waren „bijzaak”. „Moeilijk voor te stellen, dat je kinderen krijgt maar daar niet je leven op inricht.” Teun van de Keuken is getrouwd met een Engelse vrouw, ze hebben twee dochters. „Ik hoor bij de eerste generatie mannen die tegen hun bazen zegt dat we onze kinderen net zo belangrijk vinden als ons werk.”

Toch lees je, in zijn columns en in Goed volk, ook kritiek op de opvoeders van nu. Ouders zijn te bemoeizuchtig, te voorzichtig, te spastisch bezig met wat hun kinderen eten. „Ja, maar dat bedoel ik niet dogmatisch. Ik denk niet in goed of fout. Ik vind: iedereen moddert aan en probeert er het beste van te maken. Elke generatie hypercorrigeert de vorige. Dat deden mijn ouders, en ik doe dat net zo goed.”

Dus hij zou zichzelf geen frik willen noemen? „Dat woord ken ik eigenlijk nauwelijks.” Nou ja, improviseer ik: beetje belerend, betweterig, de prik- en zuigmethode, zoiets. „O, maar dat vind ik prima als je me zo noemt. Nobody likes a smart ass is een gevleugelde uitdrukking bij mij thuis. Ik hoor tot de ironische generatie. Die tot vervelens toe blijft doorvragen en zeuren bij mensen die pretenderen heel belangrijk bezig te zijn. Maar ik stel geen misstanden aan de kaak. Wat ik doe is: vaststellen wat er allemaal wordt beweerd en kijken of dat waar is. ”

De crew van Keuringsdienst van waarde, vier man sterk, meldt zich bij de patatkraam voor de middagopnamen. Te vroeg, stelt Teun van de Keuken vast en knoopt zijn jasje dicht. Geen haast, zij willen allemaal eerst een frietje. Niet gemaakt van bintjes trouwens, maar van Frieslanders.