Recensie

Sophie, groot naast Hans

Hans Arp

Hans Arp was een groot beeldhouwer: ingehouden zinnelijke stijl, spannend oeuvre. Zijn vrouw Sophie Taeuber-Arp was een nog groter kunstenaar, maar waarom is zij minder bekend dan haar man?

Hasn Arp: ‘Configuration ailée / Bottle and Bird or winged configuration’, 1925 (collection Musee Strasbourg) Foto Musee Strasbourg

Nog altijd kun je de atelierwoning bezoeken die Hans Arp en Sophie Taeuber-Arp bouwden in Meudon, een voorstad van Parijs. In een rustige straat heuvelopwaarts, destijds nog omringd door groen, staat een robuuste kubus met binnen koude muren en lage plafonds. Beneden was zijn atelier, daarboven het hare, maar ze werkten er voortdurend samen, zo veel, dat je vaak bij hun kunst niet weet wat van Sophie en wat van Hans was. Nu is het een klein museumpje voor hun abstracte kunst, beelden en tekeningen, tussen meubeltjes die ze destijds zelf maakten. Het was een prachtig kunstenaarshuwelijk, tot dat noodlottige ongeluk.

Daarvoor beleefden ze tien gelukkige jaren samen in Parijs. Arp stapte er over van platte tekeningen op reliëfs, ronde vormen op een ondergrond, die gaandeweg op pootjes kwamen te staan en driedimensionale beelden werden. Hiervoor moest hij mentaal een drempel over, want eerder nog had hij sculpturen afgedaan als bourgeois getrut, ongeveer net zo erg als schilderijen in een lijst. Maar juist in sculpturen kon hij zijn liefde voor sensuele vormen kwijt, wat je kunt zien in Meudon en binnenkort in het Kröller-Müller Museum. Compacte vormen, niet direct naar de natuur gemodelleerd maar meer gevormd zoals de natuur dat zou kunnen doen: gestileerde stampers, schelpen, heupen, aaibare vormen.

Vriendelijke kunst, al dachten de nazi's daar anders over. Wetend dat ze als ‘entartet’ zouden worden bestempeld, vluchtten Taeuber en Arp in 1941 naar Zuid-Frankrijk en daarna naar Zwitserland, waar zij in 1943 koolmonoxidevergiftiging kreeg en overleed. Arp was ontroostbaar, artistiek verlamd. Na een tijd versnipperde hij hun gezamenlijk gemaakte tekeningen voor collages, maakte schimmige en futloze tekeningen, werk waaraan je ziet hoe hij, alles, uit elkaar was gevallen. Wat was Hans zonder Sophie?

Fluïde stijl

Aan Hans Arp (1886-1966) – je mag ook Jean zeggen, de Elzasser was meertalig – wijdt het Kröller-Müller Museum een grote zomertentoonstelling. Met zo’n honderd werken – tekeningen, collages, beelden – brengt het een overzicht van deze kunstenaar die met zijn amorfe vormen een beetje bij Dada hoorde, een beetje bij het surrealisme, en veel bij Sophie. Zelfs De Stijl vond hem oké, ondanks zijn veel organischer beeldtaal. Tolkend voor de avant-gardes en met zijn fluïde stijl nam hij een tussenpositie in en was hij een ongrijpbare persoon – er bestaat een onbevestigd vermoeden dat hij een aardige man was. Net als zijn persoonlijkheid ontglipt zijn werk aan definities. Het doet niet aan ratio, lijkt zelfs anti-rationeel. Zo maakte hij collages van papiersnippers die hij vastplakte daar waar ze op het vel vielen, als ode aan het toeval. Al hielp hij dat toeval vast een handje als dat esthetisch bevorderlijk was.

En tegelijk zijn vooral zijn sculpturen juist zo beheerst en mysterieus elegant. Raak me aan, roepen ze, wat in een museum dan weer niet mag. Die sensualiteit kreeg hij voor elkaar door voornamelijk in gips te werken. Lastig spul, maar het beviel hem beter dan klei – en bruut hakken in steen daar begon hij niet aan. Gips is stug maar heeft als voordeel dat je eindeloos eraan kunt blijven schuren, vormen, delen afzagen en vervangen. Daarin combineerde en herhaalde hij vormen zoals in zijn prachtige evocation of torso, dat eruitziet zoals de huid zich om sleutelbeenderen spant als je je schouders naar voren werpt. Het staat in het Kröller-Müller, net als een van zijn Pistils, stampers, waarin een plantaardige vorm zich opricht als een geslachtsdeel – maar het is abstract dus ziet u er vooral iets anders in als u wilt.

In Meudon staan en liggen al deze welvingen op verschillende manieren op sokkels, als studies voor lichtval, omdat ze geen voor- of zijaanzicht hebben – hebben planten ook niet. Maar er valt nog iets op: achter die objecten hangen kleine werkjes aan de muur. De beelden zijn erg mooi, die tekeningen zijn verbluffend. Ze zijn maar klein, lijnen en kleuren in botsende vormen, vol van licht en leven. En dan gebeurt er iets wonderlijks als je dichtbij kijkt: het titelbordje. Ze zijn niet van Hans. Ze zijn van Sophie.

Om misverstanden te voorkomen: Arp was een groot beeldhouwer. Zijn beelden ademen die geest van de avant-gardes waar hij langs fietste met zijn ingehouden zinnelijke stijl, een spannend oeuvre. Maar. In Meudon zie je in zijn schaduw een nog groter kunstenaar staan. Dus wie was Sophie? En waarom is zij minder bekend dan hij?

Sophie Taeuber (1889-1943) overleed in het land waar ze was geboren. Zwitserland was in de jaren tien zowel een neutrale natie als een broeierige artistieke hub. De oorlog legde het oude Europa met zijn deftige cultuur in de as, op die ruïnes bloeide de Dada. Daarin speelde Taeuber een grote rol. Dada dreef de spot met ratio en regels maar Taeuber was op een andere manier radicaal: haar compleet non-figuratieve composities verwezen enkel naar zichzelf met een ongekende dynamiek, in kleur, vorm, lijn.

Textielkunst

In het dadaïstische Zürich ontmoette ze dichter en schilder Arp die met een soort S5-verhaal dienstplicht was ontvlucht. In 1922 trouwden ze. Tussen de soms boze anti-kunst van Dada namen de Arpjes een eigen positie in. Onder de indruk van de Zwitserse natuur was zijn beeldtaal zacht, die van haar constructivistisch – waarin je invloeden vermoedt van haar achtergrond in de textielkunst. Textielkunst was een van de meest revolutionaire – en meest onderschatte – avant-gardes. Schilders hadden het over antroposofie en maatschappij, textielkunstenaars niet. Theedoeken en theosofie gaan niet samen. Dan resteert enkel beeld. Dat maakte dat textielkunst harder ging in zijn abstractie. Die compromisloze radicaliteit herken je in Taeubers tekeningetjes in Meudon: elke lijn raak, vormen botsend, met een heerlijke energie. Vergeleken met die tekeningetjes vraag je je ineens af of veel moderne kunst niet toch wat streng is, bedacht, chagrijnig bijna. Zo goed zijn die tekeningen.

Na de Tweede Wereldoorlog meed Arp hun huis in Meudon – te veel herinneringen. Eind jaren veertig ging hij naar Amerika waar ze hem hartelijk ontvingen, enthousiast over zijn werk. Wereldfaam en opdrachten vielen hem, eindelijk, ten deel. Mede door de vraag groeide het formaat van zijn beelden – de mode was monumentaal.

Ook die mode kan een reden zijn dat kunstenaars als Taeuber net wat minder bekend werden (en ze was een vrouw, stierf jong, alhoewel Van Gogh dat ook deed). Maar vergeet niet het soms subtiele paternalisme in de kunst. Na de oorlog raakten stevige machistische composities en verfgebaren in de mode, waar formele zoektochten van pionierende textielkunst en bescheiden tekenkunst niet op aansloten. En dat terwijl juist Arps werk laat zien hoe de kleine sensuele werken artistiek interessanter zijn dan zijn latere uitvergrotingen – al heeft toch niemand zijn gave om zulke grote bronzen met zo’n lichtheid te laten dansen.

Met zijn nieuwe vrouw verhuisde Arp toch naar Meudon. Zij vond dat een huis een woonruimte moest zijn. Hij bouwde daarom een atelier in de tuin die op hoge bomen uitkeek – nu hoge flats. Zijn beste artistieke jaren lagen achter hem, maar de erkenning is terecht. Dus gaat u kijken in het Kröller-Müller. En dan graag binnenkort een retrospectief van Sophie Taeuber-Arp.

Arp: the Poetry of Forms, 20 mei t/m 17 september in het Kröller-Müller Museum, krollermuller.nl