Recensie

Huis van gedoemde familie is de titelheld

Ibsen Huis Elf acteurs in een draaiend Scandinavisch designhuis spelen een op Ibsen geïnspireerd drama, mede geschreven door Simon Stone.

Toneelgroep Amsterdam speelt Ibsen huis, met een modern zomerhuis als centraal decor, waarin we een familie volgen van 1964 tot 2017. Foto Jan Versweyveld

Regisseur Simon Stone heeft haast, dat is te zien aan het grootse familie-epos Ibsen huis dat hij uitbrengt bij Toneelgroep Amsterdam. Een vier uur durende, razendsnel gemonteerde hellevaart over leugen en ontrouw, liefdesverlangen en liefdeloosheid, dementie en pijn voor een cast van elf acteurs.

De van oorsprong Australische film- en theaterregisseur is al jaren geboeid door de Noorse toneelschrijver Henrik Ibsen, van wie hij eerder De wilde eend en John Gabriel Borkman ensceneerde.

Het huis is de titelheld van de voorstelling. Voor een familie van drie generaties vormt het elke zomer het welkome toevluchtsoord, gelegen aan het water.

Imposant staat het op het draaitoneel, Scandinavisch design, grotendeels van glas en hout. Maar er rust een vloek op, zoals meteen een van de eerste scènes duidelijk maakt. Architect en aartsvader Cees Kerkman ontsteekt in woede als hij het bouwwerk ziet: hij verfoeit glas en hout, want „Hollanders bouwen altijd in baksteen”. Hij raakt in conflict met neef Daniël, die het transparante huis ontwierp. Hans Kesting gaat schitterend over de schreef in zijn dramatisch verwoorde aantijging: „Moeten we hier als op de Wallen in lingerie gaan zitten?” Aus Greidanus jr. incasseert met mooi gespeeld begrip de toorn van de oudere generatie.

Het idee van Ibsen huis is inventief. Met het ronddraaien van het huis verstrijkt de tijd tussen toen en nu, tussen 1964 en 2017. Als voyeurs kijken de toeschouwers toe naar de ontreddering en desintegratie van de familie. De belangrijkste inspiratie vindt Stone in Ibsens Bouwmeester Solness en Spoken, maar evengoed klinken er echo’s van relatiedrama’s van Ingmar Bergman of Lars Norén.

Bron van alle kwaad is de incest die Kerkman pleegde. De vrouwen zijn voor hun leven beschadigd. Stone, die het script schreef in samenwerking met de acteurs, snijdt naarmate het stuk vordert de tijden steeds sneller door elkaar in adembenemend tempo.

Heel af en toe staat zijn spelregie een intiem, verstild moment toe, zoals in de beklemmende scène waarin Bart Slegers en Maria Kraakman de as van hun misbruikte dochter Fleur over het strand gaan uitstrooien. Slegers als Jacob praat tegen de urn, tot verbazing van zijn vrouw. Ze lopen als een geslagen echtpaar weg van het onheilshuis het lege zijtoneel op. Een huis als hoofdrolspeler kent tijden van glorie en verval, in dit geval eindigend met een brand aan het slot.

Nicht Caroline (Janni Goslinga) overwint haar jeugdtrauma door het reinigende vuur te ontsteken. Als het noodlot toeslaat, is dat telkens met seksualiteit als oorzaak: een van de kleinzonen krijgt aids, het incestsyndroom eist slachtoffers en het huwelijk doodt de passie.

Dat Ibsen huis met enorme vaart en vaak briljante dialogen is geschreven en dat de acteurs met grote inzet spelen, is het probleem niet. Stone is echter geen elegant dramaticus of spelregisseur. De voorstelling klinkt in een toonsoort: hard en twistziek. Vreemd is dat we de stemmen binnenshuis even luid horen als daarbuiten, dat haalt veel weg van de beschutting die het huis zou moeten bieden. Vooral is Ibsen huis te expliciet, zodat er voor de toeschouwer weinig te raden overblijft. Vergelijk daarmee toneelvader Ibsen met zijn schokkende drama’s over incest en syfilis, zoals Spoken: pas in de laatste scène onthult hij het traumatische geheim waarmee de personages zijn belast.

Een voorbeeld: in Spoken zegt de stervende jongen: „Moeder, geef me de zon.” Bij Stone doodt de moeder haar zoon met een kussen. Dat zijn werelden van verschil.