Hoe het afgegleden Ajax weer aanzien kreeg

De ontwikkeling van Ajax

Peter Bosz transformeerde Ajax tot een ploeg die Europese faam verwierf. Het seizoen waarin Ajax zichzelf opnieuw uitvond, in vier hoofdstukken.

Foto Jeroen Jumelet/ANP

1. Een jonge Deen loopt achteraan

‘Kasper, zo heb ik niets aan je’

Het EK in Frankrijk is nog bezig, de schoolvakanties moeten nog beginnen. Maar voor Ajax begint het seizoen op 28 juni 2016 in het Amsterdamse Bos. Kilometers lang in een draf, Nemanja Gudelj zet de snelste tijd in de traditionele bosloop. Ergens achteraan bungelt een blonde knaap met een engelengezicht. Kasper Dolberg is net iets eerder binnen dan Hendrie Krüzen, assistent-trainer van 52 jaar. Bosz weet niet wat hij ziet. Achttien jaar oud ‘pikkie’ en dan bij Ajax 1? Man, hij zou de ballen uit zijn broek gelopen hebben.

De week daarop, op het trainingskamp in Oostenrijk, geven Dolbergs fysieke data hetzelfde beeld: overal in de achterhoede. Bosz grijpt in. „Kan je niet? Wil je niet?” Bijna stuurt hij Dolberg terug naar de A1. „Zo heb ik niets aan je.”

Foto Peter Dejong / AP

De prikkel komt aan. De dag erop loopt Dolberg ineens met de besten mee. Het is een van de vreemdste gewaarwordingen in Bosz’ eerste jaar bij Ajax: een stille jongen met een fantastisch schot in de benen die erbij loopt alsof het hem allemaal niet zo veel kan schelen. Bosz heeft zijn nummer negen gevonden. Met vijftien competitiegoals en zeven in Europa lijkt het pad naar een internationale topcarrière tien maanden later geëffend. Is het een meesterzet dat Bosz de jonge Dolberg voor de leeuwen gooit in de vroege voorronde Champions League tegen PAOK Saloniki?

Eigenlijk is het simpel: de aan Napoli verkochte Arek Milik laat een groot gat achter in de spits; dat gat moest opgevuld worden. Verder laat Bosz het team dat hij heeft geërfd van voorganger Frank de Boer redelijk in tact.

Maar daar komt hij snel van terug.

2. Het ideale middenveld

‘Ik kan ook op zes spelen’

Bosz kijkt niet graag naar zichzelf, naar Peter Bosz de voetballer. Een dienende speler, weinig vernuft in zijn voeten. Een balafpakker op mid-mid. Als trainer was het hem al snel duidelijk: hij wil niet spelen met een type zoals hij zelf was.

Voor de verdediging geen houtzager, maar een voetballer. „Bij mij speelt een nummer tien op zes”, zegt hij. Hij heeft er een bloedhekel aan als middenvelders ballen gaan ophalen bij de verdediging. Tussen de linies aanspeelbaar zijn in de korte ruimte. En durf die bal te krijgen. „Als je dat niet kan, moet je naar een andere club gaan”, zegt hij op een trainerscongres in Garderen, in februari. „Dan heb ik niets aan je.”

Foto Olaf Kraak / ANP

Bij Ajax zoekt hij die eerste weken naar zijn ideale middenveld. Vijf punten achter koploper Feyenoord in de competitie, uitgeschakeld in de voorronde door Rostov na een wanvertoning. Het middenveld swingt niet. Lopers Riechedly Bazoer en Nemanja Gudelj voldoen niet. Hij noemt Jairo Riedewald in die beginfase „de enige echte nummer zes” in de selectie. Mooie speler met Rijkaard-achtige allure.

Maar in de passing naar voren is het nog steeds niet wat hij zoekt. Hij praat met zijn spelers, tast af, monstert. Ontvouwt zijn visie, licht zijn beslissingen toe. Tegen de 30-jarige bankzitter Lasse Schöne zegt hij: „Je bent hartstikke positief in de groep, ga zo door. Maar ik zie jou als een ‘tien’ en daar staat Davy Klaassen.” Die is aanvoerder en onomstreden.

Lees ook het verslag van Ajax - Olympique Lyon: Ajax kraakt, maar breekt net niet

Dan zegt Schöne: „Maar ik heb ook op zes gespeeld. Onder Frank, in het begin.” Wist Bosz niet. De zoektocht naar zijn ideale middenveld komt in het bekerduel tegen Willem II, op 21 september 2016, ten einde als hij het dan maar eens probeert met Schöne. Ineens tikt het als een klok. Het is ook de wedstrijd dat Bosz voor het eerst topaankoop Hakim Ziyech op het middenveld zet. Alles valt op zijn plek.

Ajax begint te winnen, begint vorm te krijgen. Waar het eindigt? De groepsfase wordt indrukwekkend sterk doorlopen. Maar iedereen weet: meestal gaat het mis, in Europa, in het vroege voorjaar.

3. Bezeten van restverdediging

‘Nick, je moet doordekken’

Zo moet het dus niet. Loopt een Ajax-aanval over rechts, ziet Bosz linkerverdediger Nick Viergever rustig met de blik over het veld glijden alsof hij goed geld heeft betaald om naar Ajax te komen.

Foto ANP

Het gebeurt kort nadat Bosz zijn visie op de groep heeft losgelaten, afgelopen zomer. Nu nog de praktijk. Wat Viergever dan had moeten doen? Bezig zijn met de restverdediging natuurlijk. Ofwel: juist als je in balbezit bent, moet je denken: Wie krijgt bij de tegenstander straks de bal als wij hem verliezen? Waar sta ik dan? Waar staat mijn maatje dan? Dóórdekken dus: durf een linie door te schuiven om het gevaar van de omschakeling direct te neutraliseren.

Elke coach, elke profploeg, organiseert de restverdediging, maar Bosz is er bezeten van. Het is de wijze les van Pep Guardiola, wiens boek Herr Pep bij de Ajax-coach op het nachtkastje ligt. Balbezit is mooi, maar welke spelers staan vrij als Ajax de bal verliest?

Trainingen lang is Bosz alleen maar bezig met doordekken. Zijn assistenten doen de aanvallers, hij de verdedigers. „Veltman dóór, Viergever nu jij.” Bosz praat vooral op die twee in. De nieuwe stopper Davinson Sánchez is het Engels amper machtig, maar blijkt een formidabele speler te zijn. De Colombiaan excelleert centraal achterin.

Al het moois van het nieuwe Ajax komt eruit tegen Schalke 04 thuis (2-0) afgelopen maand, waarbij de Duitsers compleet worden vastgezet en uitgeknepen. Maar alles gaat net zo goed bijna mis twee weken later in Gelsenkirchen (3-2 verlies).

Het is Viergever die de doortocht naar de halve finale veiligstelt in de verlenging, met een goal die van wilskracht doortrokken is.

4. Vechten of vluchten

‘Trainer, ik ben gewoon zo moe’

Hakim Ziyech kwam van FC Twente, waar hij de koning en de keizer in een was. Verdedigend werk? Hoefde niet.

Bosz zegt het maar één keer tegen hem en dat is bij hun kennismaking eind augustus: dit is Ajax, daar kom je hier niet mee weg. Ziyech weet dat ook wel. Vanaf dag één smijt met zijn krachten in het ranke lijf.

En dan is er natuurlijk de ‘vijfsecondenregel’ van Bosz. Het credo bij elke partijtje op training, elke spelsituatie in elke wedstrijd: „Bal kwijt? Meteen jagen.” Vijf seconden lang maximale inspanning bij balverlies. De dichtstbijzijnde spelers duiken op de bal, de rest van het team sluit afspeelmogelijkheden af. In de woorden van Bosz: „Die gozer aan de bal geen tijd geven om te kijken wat ie kan gaan doen.” Mits goed uitgevoerd, hou je de tegenstander zo opgesloten op zijn eigen helft.

Foto Emmanuel Dunand / AFP

Maar iedereen moet meedoen, zeker de middenvelders. Ziyech dus ook. Het is vechten of vluchten. Hij zet druk wanneer het verlangd wordt. Loopt zo’n drie kilometer meer per wedstrijd dan vorig seizoen bij Twente. Hij levert arbeid, tast diep in de reserves. Sprinten om diep te gaan voelt natuurlijk, sprinten om ruimtes klein te maken en achter de bal te jagen is een mentale omschakeling. En dat alles bij een dubbel programma: eredivisie en Europa League.

Het linkerpootje hapert. Flink ziek voor de winterstop, in het vroege voorjaar, knakt hij. „Trainer ik ben gewoon zo moe”, zegt hij begin maart. De uitwedstrijd tegen Kopenhagen in de achtste finale zit Ziyech op de bank. Op eigen verzoek. Hij herstelt niet meer. Alles doet pijn, zegt de steraankoop. Maar, zegt Bosz, dit weekend stel ik je gewoon weer op. „Want jij bent mijn man.”

Eén wedstrijd rust: het lijkt een ingreep van niets. Maar hij herpakt zich in de return thuis tegen Kopenhagen alsof hij een week op de Bahama’s heeft gezeten. Topprestaties tegen Feyenoord, Schalke thuis. Acht maanden na zijn komst naar Ajax is hij de speler die thuis tegen Olympique Lyon, de halve finale, drie assists geeft en vijftien keer de bal verovert. Veruit het meest van iedereen op het veld.

De smaakmaker die ook vuile handen maakt. Hij is alles in een. Hij is Ajacied geworden.