Recensie

Dit zijn vier manieren om het populisme in Europa te begrijpen

Vraag vier denkers om een essay over het populisme en je krijgt vier visies. ‘Het vergoelijken van extreem rechts lijkt op het grillen van een vis in een broodrooster: het kanm maar waarom zou je het doen?’

Foto Emmanuel Foudrot / Reuters

Een opleving van het agressieve nationalisme. Dat is het bittere residu van de verkiezingen die tot nog toe in 2017 in Europa zijn gehouden. Uiterst-rechts en extreem-rechts zijn tegenwoordig niet meer ver weg maar dichtbij, met ruim een derde van de stemmen voor Marine Le Pen in het voor Europa zo belangrijke Frankrijk. Opvattingen over ‘volk’ en ‘leiders’, voorheen voorbehouden aan Noorderlicht aanbiddende Vikingen of dronken kaalkoppen in het voetbalstadion, vinden inmiddels weer succesvol hun weg in het publieke debat.

De Franse politicologen Jean Yves-Camus en Nicolas Lebourg brengen in het recent verschenen The Far Right in Europe naar voren dat extreem-rechts diep in de Europese samenleving geworteld is. Het Franse Front National staat daarbij bijna onvermijdelijk centraal. Maar in dit boek worden ook zo’n beetje alle andere Europese extremistische stromingen in beeld gebracht. En wanneer de auteurs in hun streven naar volledigheid en passant ook nog even de ChristenUnie noemen, weet je dat niet alle research even zorgvuldig was.

Het gaat Camus en Lebourg er vooral om dat hedendaags verzet tegen de islam en de Europese Unie wortelt in minstens twee eeuwen liefde voor ‘het volk’, haat tegen een steevast onduidelijk gedefinieerde ‘elite’, kapitalisme-kritiek die makkelijk overvloeit in antisemitisme en een groot verlangen naar simpele oplossingen. Het huidige succes van extreem-rechts verklaren ze dan ook uit het toegenomen gevoel van stuurloosheid dat mensen ervaren als gevolg van een decennialang krimpende verzorgingsstaat en een toenemende globalisering. In die algemene ‘verrechtsing’ ontstaat volgens hen ruimte voor het autoritarisme om op te bloeien. Bijvoorbeeld in antwoord op terrorisme of een crisis in de Europese Unie. De gevestigde politiek kan op stress alleen maar antwoorden met regels, instituties, sociaal beleid en uiteindelijk humanisme. Het is een verhaal dat niet bestand is tegen nostalgie.

Mediawijze politici

Vermolmde politieke partijen bezwijken volgens de twee Franse politicologen onder media-wijze politici, die het volk een thuis bieden door de trots over gisteren te verbinden met de pijn van vandaag. In die sleutel van stalwarmte zijn veel melodieën te componeren: soevereiniteit over het eigen land, vaderlandsliefde, werk en inkomen voor nette mensen, herstel van grenzen. En ‘hoe’ is daarbij een stuk minder belangrijk dan ‘wat’, zoals Le Pen tegen het einde van haar campagne liet zien door achteloos te stellen dat ze toch de euro niet wilde afschaffen.

Maar naarmate extreem-rechts meer verantwoordelijkheid moet dragen wordt de aantrekkingskracht minder, veronderstellen de auteurs licht optimistisch. Dat Le Pen nu in Frankrijk de presidentsverkiezingen heeft verloren, doet er minder toe dan dat zij blijkbaar in de tekst van haar concurrent Fillon haar eigen werk zag. Of dat Mark Rutte de verkiezingen hier won door de taal van Wilders over te nemen (‘de hardwerkende Nederlander’).

Het autoritaire, nationale denken heeft flink wat ruimte verworven. Het soort plezier dat ooit hoorde bij het linkse levensgevoel (met Vrij Nederland onder de arm ‘lekker de macht controleren’) komt nu onmiskenbaar van rechts (via Geenstijl ‘lekker de minderheden controleren’). Het is de ironische tirannie van de meerderheid. Als Thierry Baudet zijn zorgen uitspreekt over de ‘homeopathische verdunning van het Nederlandse volk’, is dat natuurlijk een geintje. Maar de boodschap dat minderheden op hun tellen moeten passen, of het nu moslims, zwarten, homo’s, joden of vrouwen zijn, is allang overgekomen bij de achterban.

Globalisering

Dat het oplevende nationalisme verband houdt met globalisering is geen nieuws. Als centrum-links en centrum-rechts ongeveer hetzelfde zeggen over de koers van de Europese Unie, is het ook niet vreemd dat gewone mensen het idee hebben dat een elite hen in de tang heeft.

In het essay Das Gespenst des Populismus trekt de Duitse filosoof en theaterdirecteur Bernd Stegemann via een ‘systeemtheorie van het populisme’ de conclusie waar Camus en Lebourg liever bij vandaan blijven. Zowel extreem-rechts als hun intellectuele critici zijn in diens betoog nuttige idioten in dienst van het financieel kapitaal.

Extreem-rechts wil landsgrenzen herstellen. Fatsoenlijke mensen willen beschavingsgrenzen herstellen. Maar Goldman Sachs en ABN Amro zeggen dag met hun handje tegen welke grenzen dan ook. Waardoor de welvaart oneerlijk verdeeld blijft. Immigratie, illegaal of niet, komt volgens Stegemann door onverantwoordelijk gedrag van de wapenindustrie, de financiële industrie en asociale regeringen. Lokaal verzet in Duitsland (of Nederland) tegen asielzoekers is dan ook logisch. Het zijn immers de overwegend armere mensen die geconfronteerd worden met de negatieve gevolgen van immigratie. Hoezo zouden zij de problemen van het internationale systeem moeten oplossen?

Stegemann laat echter enigszins in het midden wie precies de 21ste-eeuwse arbeiders zijn (werklozen of goedbetaalde werknemers bij Volkswagen?) of wat ze willen. Zijn verhaal past bij het groeiende corpus van kritiek op het ‘neoliberalisme’, waarin het economische programma van marktwerking en deregulering steeds meer de status van communisme of fascisme krijgt. Er liepen echter nooit drommen mensen achter neoliberale vlaggen aan.

In de jaren na de val van de Muur verstomde het debat over de verhouding tussen staat en markt

Van de mondiale machtsgreep door het perfide neoliberalisme die Stegemann veronderstelt was niet echt sprake. Wat er wel gebeurde was dat in de jaren na de val van de Muur het debat over de verhouding tussen staat en markt verstomde. In retrospectief is dat een makkelijke conclusie. Maar Stegemanns stelling dat extreem-rechts leeft doordat links geen economisch alternatief biedt, wordt onderstreept in alle landen waar ‘klein links’ amper of niet profiteert van de teloorgang van centrum links (Nederland, Frankrijk, Engeland).

Er is ook wel een ander antwoord op de herleving van extreem-rechts te horen: minder democratie. We zijn nogal verlegen met democratie tegenwoordig. Bestuurders roepen tegenwoordig graag dat burgers beter zijn dan ambtenaren, maar tegelijkertijd heeft iedereen zijn buik vol van het referendum. Meer dan twee zinnen heeft geen politicus paraat over democratie. De Amerikaanse politiek-filosoof Jason Brennan pleit in Against democracy dan ook voor hernieuwd onderzoek naar de Platoonse stelling dat bestuur een zaak is voor wijze lieden. Want stel dat zo’n ‘epistocratie’ beter werkt en eerlijker is dan een democratie, wat is er dan tegen? Brennan brengt veel onderzoek in stelling waaruit je inderdaad kunt afleiden dat burgers agressiever uit overleg komen dan dat ze er in gaan, dat je van politiek corrupt wordt en zij met de beste bedoelingen de domste beslissingen nemen.

Oude wijsheid

Het is een oude wijsheid dat collectieve beslissingen ons soms helemaal niet verder helpen. De politiek gaat van het ene teleurstellende compromis naar het andere, tot niemand er meer iets van snapt. Dat tast permanent haar geloofwaardigheid aan. Zie het debat over identiteit of over klimaat. Wanneer we blijven kibbelen over wat Nederlander zijn betekent en we dus niet weten wat ‘ons wij’ is, moeten we dat dan niet gewoon wat steviger vastleggen in de wet? Wanneer de planeet naar de knoppen gaat en de inspraak ondertussen voortsukkelt, zijn we dan niet beter af met wat dwang? Brennan zegt, met het gezag van handig gekozen argumenten: ruil wat inspraak voor heerschappij van de kennis en de beslissingen worden eerlijker en beter. Helaas gebruikt hij overwegend het fictieve dilemma als stijlfiguur, een vervelende filosofenkwaal. Aan de hand van Lizzy die te veel pizza’s eet of een jury die het mooiste varken kiest, komt telkens een nieuwe, maar overwegend theoretische schaduwzijde van democratie naar voren. Als Brennan had verklaard hoe de plurale, open democratie ondanks het vaak domme of agressieve volk toch de prettigste samenleving ooit heeft opgeleverd, was zijn boek interessanter geweest. Stegemann, de schrijver Gespenst des Populismus ,zou tegen Brennan zeggen: wat zeur je nou, het bestaan van de Europese Centrale Bank is het bewijs dat de democratie allang is afgeschaft. Echte democratische vernieuwing blijft zo uit beeld. Zolang academici bewijzen dat het volk dom is, hoeft Wilders geen zendtijd te kopen om te vertellen dat de elite arrogant is.

Populisme is niet ‘het nieuwe normaal’, het stelt de noodzaak van een nieuw normaal aan de orde

In De januskop van de democratie beschrijft politiek-filosoof Sjaak Koenis helderder wat je wel aan democratie hebt en wat niet. Hij doet dat aan de hand van Menno ter Braaks Nationaalsocialisme als rancuneleer. Democratie biedt emancipatie, vrijheid van spreken en zelfontplooiing. Dat is de positieve kant. Maar democratie heeft een januskop. Deze schept onvermijdelijk ook ressentiment, dat wil zeggen ergernis over het feit dat ook anderen gelijkheid of vrijheid hebben. Anders gezegd, het populisme ontleent amper gezag aan een maatschappij-analyse, maar des te meer aan de schaduwzijde van de democratie. Het is een ‘ontladingsmechanisme’.

De wrok en haat waarop nieuw-rechts met groeiend succes een beroep doet komt niet zozeer voort uit slecht beleid, maar uit diezelfde democratisering. ‘Als mensen de zittende elite afwijzen, zich slachtoffer voelen van de vrijheid van anderen en hun vertrouwde gemeenschap in gevaar zien, dan is het niet gedaan met de democratie, maar wel met de normale politiek waarin elite en volk zich met elkaar verzoend hebben. In zo’n periode zitten we nu.’

Populisme is dus niet ‘het nieuwe normaal’, het stelt de noodzaak van een nieuw normaal aan de orde. Het vergoelijken van extreem-rechts – ‘er is toch een probleem met huisvesting, werk, veiligheid, en minderheden hebben daar toch iets mee te maken?’ – lijkt dan ook op het grillen van vis in een broodrooster: het kan, maar waarom zou je het doen? In de politiek is de kracht van je tegenstander jouw zwakte, en moet je dus je eigen wapens kiezen.

Laten we ons minder afvragen ‘wie we zijn’ en meer wat we moeten doen, concludeert Koenis. Brennan en Stegemann dragen daar radicale opvattingen voor aan. Maar dat het meer over economie en democratie moet gaan is een mild idee, in het aangezicht van een eurocrisis die Noord- en Zuid-Europa verdeelt, een migratiecrisis die West- en Oost-Europa verdeelt en een veiligheidscrisis die bepaald wordt door twee mannen (Trump en Poetin) die niets om Europa geven.