Hoe zij hun in de Tweede Wereldoorlog geroofde kunst terugkregen

Roofkunst

In Deventer opent vrijdag een expositie met roofkunst. Drie betrokkenen vertellen hoe ze gestolen kunst terugkregen.

Kapitein James Rorimer van de Amerikaanse ´Monuments Men´ houdt toezicht terwijl zijn soldaten door de Nazi’s verzamelde schilderijen de trap afdragen van Kasteel Neuschwannstein, 1945 Foto NARA

Meer dan zestig werken met een roerige oorlogsgeschiedenis zijn vanaf morgen te zien in de Bergkerk in Deventer. Schilderijen, etnografische voorwerpen en antieke objecten die behoorden tot de tienduizenden kunstwerken die in de jaren 1940-1945 over de Duits-Nederlandse grens zijn verdwenen. Een deel van die werken was al of niet onder dwang verkocht, andere waren door de nazi’s geconfisqueerd bij joodse handelaren of verzamelaars, geplunderd uit lege huizen of geroofd uit kluizen van gevluchte joodse families.

Na de oorlog kwamen veel kunstwerken terug uit Duitsland door de inzet van de Amerikanen. Maar hoewel duizenden kunstwerken in de jaren direct na de oorlog zijn teruggegaan naar oorlogsslachtoffers en hun erven, gold het teruggavebeleid van de Nederlandse overheid als restrictief. Bijna 5.000 werken bleven achter in wat Nederlands Kunstbezit is gaan heten. Een deel werd geveild, andere kunstwerken gingen naar musea, overheidsgebouwen of kwamen in depot.

Vanaf eind jaren negentig is onderzoek gedaan door een commissie Herkomst Gezocht en daarna is er een nieuw teruggavebeleid uitgevoerd door een restitutiecommissie. Een meerderheid van de adviezen die de restitutiecommissie uitbracht was in de eerste jaren positief, maar geleidelijk aan neemt het aantal negatieve adviezen toe.

In de tentoonstelling, in opdracht van de Ter Borch Stichting samengesteld door Rudi Ekkart (voorzitter van zowel de commissie Herkomst Gezocht als de Restitutiecommissie), hangen vooral werken uit Nederlands Kunstbezit. Maar er zijn ook bruiklenen te zien van joodse families die kunstwerken hebben teruggekregen. NRC sprak met drie van deze erfgenamen.

1. Paul Hedeman Joosten over de oom van zijn opa

‘Herderin met kind in een landschap’. Jacob Cuyp

Twee schilderijen heeft Paul Hedeman Joosten in zijn bezit die voor de oorlog tot de collectie van de oom van zijn grootvader Jacques Hedeman behoorden. Een stadsgezicht van Amsterdam en een achttiende-eeuws Portret van een vrouw met een kleine hond. Kunstenaars onbekend. Het zijn bescheiden werken die de vaatchirurg na een claim bij de Restitutiecommissie heeft teruggekregen. Uit overzichtslijsten weet hij dat zijn familie voor de oorlog een collectie van bijna 300 schilderijen had, met werken van grote meesters als Rembrandt, Rubens, Jan Steen en ook een Titiaan en een Velasquez.

In een doos heeft Paul Hedeman een reeks aan documenten en foto’s die de kunstverzameling van zijn familie in beeld brengen. Een jaar of vijftien geleden heeft hij die bij elkaar gezocht, voordat hij de claim indiende. „Laat nou maar”, had zijn vader nog gezegd. „Het is al lang zo geleden.”

Jacques Hedeman was een textielindustrieel in Almelo. De grote collectie die hij met zijn schoonzus en zus had opgebouwd, had de joodse familie voor een deel ondergebracht in Londen en New York. Een ander deel was bij de joodse kunsthandelaar Katz in Dieren opgeslagen. En 126 kunstwerken waren voor de bezetting in veiligheid gebracht in een kluis bij De Amsterdamsche Bank.

Jacques Hedeman kon ontkomen naar Zwitserland. „In een geblindeerde stafauto zijn ze met een vrijgeleide dwars door nazi-Duitsland vervoerd”, weet Paul Hedeman. „Daar zullen grote bedragen voor betaald zijn. Of daarvoor ook kunstwerken zijn verkocht, dat weet ik niet.”

Wat er met alle kunstwerken is gebeurd en welke nog zijn teruggevonden, is bijna niet meer te reconstrueren. Zeker is dat Jacques Hedeman op zoek ging. Het onderzoek van de Restitutiecommissie geeft een beeld van de moeilijkheden daarbij. De werken die bij Katz lagen opgeslagen, waren verdwenen. De kluis bij De Nederlandsche Bank was leeggehaald, de werken waren door de Duitsers ondergebracht bij de Lirobank. Die ‘roofbank’ gebruikten de nazi’s om joodse bezittingen te confisqueren en te verkopen.

Met de Stichting Nederlands Kunstbezit, die in de jaren direct na de oorlog de teruggave moest regelen van kunst die uit Duitsland terugkeerde, had de familie stevige briefwisselingen. Die gingen om zeker negen werken van Hedeman. „De overheid stelde zich na de oorlog hardvochtig op en de familie Hedeman accepteerde dat niet”, zegt zijn erfgenaam. Zij wenste niet, zoals verlangd, de som te vergoeden die de Lirobank bij verkoop had ontvangen. En ook niet de administratieve lasten die SNK voor zijn werk rekende. Die lagen soms hoger dan de marktwaarde van de werken. De SNK liet daarna vijf werken veilen.

Omdat de werken in Londen en New York niet verloren waren gegaan, weten de erfgenamen dat er na de oorlog nog een collectie geweest moet zijn. „Ze hebben een groot deel van de collectie verkocht op veilingen. De textielfabriek moest weer helemaal opgebouwd worden, daar was geld voor nodig.”

Van veel kunstwerken weten de erfgenamen niet waar ze zijn gebleven. In 2015 werd de familie benaderd door Museum Dordrecht. Die had op een veiling Herderin met kind in een landschap van Jacob Cuyp gekocht en kwam er na eigen onderzoek achter dat het werk tot de collectie van Hedeman had behoord. Wat nu? De familie vond het museum ook de beste plek om het schilderij te laten hangen en kreeg een financiële genoegdoening.

En zo duikt er af en toe nog een werk op. „Onlangs werd mijn vader benaderd door een van de grote veilinghuizen dat ze een werk aangeboden hadden gekregen dat mogelijk uit de collectie van onze familie kwam. Of wij meer wisten. Met alle aandacht voor roofkunst zal dat vermoedelijk nog vaker gebeuren.”

2. Bas van Lier over zijn grootvader

De hoorn van Carel van Lier

Op zijn 16de raakte Bas van Lier gefascineerd door verhalen over zijn grootvader. Op zolder bij zijn oma had hij vier Balinese schilderijtjes gevonden uit de jaren dertig van de vorige eeuw. Hij had al wel eens gehoord dat Carel van Lier voor de oorlog een belangrijke handelaar in kunst en etnografica was geweest in Amsterdam. Maar nu begonnen die verhalen hem echt te interesseren. Zijn opa bleek kunstenaars als Charley Toorop, Edward Fernhout, Wim Schumacher, Carel Willink, Max Beckman en George Grosz vertegenwoordigd te hebben.

Een jaar of twintig werkte Bas van Lier – zover zijn studie en werk het toelieten – aan een biografie. Die kwam uit in 2003, tegelijk met een tentoonstelling die het Museum voor Moderne Kunst Arnhem aan Carel van Lier wijdde. Behalve door de schilderijen – waarvan een aantal nu in de grote musea van de wereld hangen – was Bas van Lier ook gefascineerd door de grote collectie etnografica die zijn grootvader verzamelde. „Hij was een van de eerste verzamelaars van Afrikaanse etnografica in Nederland. In 1927 was er een expositie van zijn verzameling in het Stedelijk Museum.”

Nu heeft hij een Afrikaanse ivoren hoorn uitgeleend aan de tentoonstelling in Deventer. Van Lier was er nooit op uit om werken te vinden die hij zou kunnen claimen, zegt hij. Maar bij toeval trof hij op internet een verhaal over een zestigtal etnografische objecten die zijn grootvader aan het volkenkundig museum in Frankfurt had verkocht. Een deel daarvan was na de oorlog teruggegeven. Het museum in Frankfurt stuurde hem uitgebreide documentatie inclusief een rekening met de prijzen die het museum had betaald.

Hij kreeg het advies een claim bij de Restitutiecommissie in te dienen. „Ik dacht nog: op welke gronden? Er is een rekening en de prijzen lijken marktconform. Maar misschien kon de commissie met hun bronnen meer informatie vinden over achtergronden van de transactie dan ik.”

Van de administratie van zijn grootvader had hij weinig kunnen vinden. Carel van Lier, door zijn huwelijk met een niet-Joodse vrouw nog enige tijd gespaard gebleven, was in 1943 door de Duitsers opgepakt in zijn huis in Blaricum. Zijn naam was opgedoken in het adresboekje van een van de leden van het Kunstenaarsverzet van Gerrit-Jan van der Veen. ‘Dit is de laatste keer dat je me zult zien’, zei hij tegen zijn dochter, voordat ze hem op de achterbank van een auto weggevoerd zag worden. Hij belandde in Auschwitz en stierf uiteindelijk na een dodenmars in de buurt van Hannover in maart 1945.

Die dochter, slechts 17 jaar oud, trachtte de kunsthandel onder het toeziend oog van een door de Duitsers aangestelde ‘Verwalter’ voort te zetten. „Maar die laatste oorlogsjaren waren één zwarte periode voor haar. Ze heeft me er niets over kunnen vertellen”, zegt Van Lier. De kunstcollectie was aan het eind van de oorlog weg. „Ik heb van anderen gehoord dat allerlei vreemde snuiters bij haar langskwamen om te profiteren.”

„Dat zij in de hongerwinter schilderijen voor een kip heeft geruild, kun je haar niet kwalijk nemen.” Achter die schilderijen is Bas van Lier nooit aangegaan, „omdat er geen enkele aanwijzing is over welke werken het zou kunnen gaan”.

Voor negen etnografische objecten diende hij wel een claim in. Eén bleek er kwijt te zijn. De restitutiecommissie wees zeven van de acht claims af. Het was niet duidelijk of ze tot de handelscollectie of de privéverzameling hadden behoord. Alleen met deze ene hoorn aan zijn lippen was Carel van Lier zelf gefotografeerd. „Dat vond de commissie genoeg bewijs dat het om privébezit ging.”

3. Lex van Leeuwen over zijn vader

Notenhouten kist van Salomon van Leeuwen

In 2007 kreeg Lex van Leeuwen onverwachts een brief van Rudi Ekkart, voorzitter van de Restitutiecommissie. Bij het onderzoek naar de herkomst van uit Duitsland teruggekomen roofkunst was men gestuit op een zeventiende-eeuwse kist ‘van beukenhout’, die mogelijk afkomstig was uit de handelsvoorraad van de joodse antiekhandelaar Salomon van Leeuwen.

Dat kon zijn vader zijn. Als 29-jarige was Salomon van Leeuwen in 1914 met handelen in antiek begonnen. In een oud stadspaleis aan het Noordeinde in Den Haag had hij dat tot de oorlog uitgebouwd tot een grote antiekzaak. Een winkel die zoon Lex na het overlijden van Salomon in 1970 heeft voortgezet.

Daar kwamen twee leden van de restitutiecommissie praten met Lex van Leeuwen. De kist was na de oorlog teruggekeerd uit Duitsland, in bezit gekomen van het ministerie van Defensie en stond nu in de directeurskamer van de KMA in Breda. Van Leeuwen had alvast onderzoek gedaan. Een beukenhouten kist uit de zeventiende eeuw leek hem onwaarschijnlijk. In de administratie van zijn vader had hij die ook niet gevonden. De zwart-witfoto die hij te zien kreeg, was vaag.

Maar de leden van de restitutiecommissie adviseerden hem toch een claim in te dienen. Vijf jaar later kreeg hij een positieve beschikking. De kist, die een ereplek kreeg in de zaak in Den Haag, bleek van notenhout. Uit de achttiende eeuw.

Zijn vader was na de oorlog nooit achter verloren gegane bezittingen aangegaan. „Ik heb hem nooit gevraagd waarom hij dat niet heeft gedaan”, zegt Van Leeuwen. „Mijn vader heeft nooit meer over de oorlog gesproken.” Van de familie van Saam van Leeuwen was alleen zijn oudste broer Abraham, die even verderop op het Noordeinde de antiekzaak A. Van Leeuwen dreef, teruggekomen. Hun vier broers en drie zussen waren omgebracht.

Met zijn gezin was Salomon van Leeuwen, kort na de geboorte van Lex in 1943, ondergedoken. Vanwege zijn huwelijk met een niet-Joodse vrouw was hij in eerste instantie ongemoeid gelaten door de Duitsers. Maar na een razzia in de buurt van hun woonhuis in Voorburg en een oproep voor transport werd de dreiging voor hem te groot. Hij had een vertrouweling in de zaak gehouden, die er in 1944 in slaagde om de firma geschonken te krijgen aan Salomons volwassen dochter en zoontje Lex. Maar de Duitse zaakwaarnemer die door de bezetters in de zaak was gezet, had al veel van de inventaris verkocht. „Toen mijn vader na de oorlog in de zaak terugkwam was hij ‘potje los’”, zegt Lex van Leeuwen.

In korte tijd bouwde Salomon van Leeuwen de zaak weer van de grond af op. „Zijn geluk was dat hij een hele lieve man was die op plekken binnenkwam waar anderen nooit werden toegelaten. Mensen gunden het hem.”

Voor zijn antiekzaak heeft de nu 74-jarige Van Leeuwen geen opvolger. Zijn kinderen hebben geen belangstelling, zij zijn een andere richting ingeslagen. „Gelukkig maar, dit is geen makkelijke handel meer.” De woning boven de antiekwinkel zullen zijn vrouw en hij over een tijdje verlaten. Maar de kist gaat mee. „Dat is geschiedenis die aan mijn vader herinnert.” Behalve de notenhouten kist heeft hij twee koloniale kisten voor zijn kinderen bewaard. „Die mogen ze ooit zelf verdelen.”