Recht & Onrecht

Denk als een wijkagent, minister

Geconfronteerd met een inefficiënt politieapparaat staan leidinggevenden bloot aan de verleiding met enkele richtlijnen knelpunten weg te nemen, schrijft Guus Meershoek in de Politiecolumn. Zij kunnen beter lering trekken uit de ervaring van een wijkagent

Mijn vak is het kijken naar en lezen en schrijven over een ander vak dat vooral bestaat uit handelen. Dat maakt je bescheiden. Je ziet hoe een wijkagent mensen in een verloederende buurt aanspreekt en aanspoort misstanden te melden. Hij of zij haalt zich ellende op de hals, een vloed van problemen maar gaat stug door. Niet met rapporteren of verbaliseren maar met het herstel van een sociale norm. ‘Rust, reinheid en regelmaat; niet schreeuwen, geen geweld en een schone buurt,’ zo legde een van hen mij onlangs uit. Pas als die norm weer voor bewoners herkenbaar is, is het tijd om stap voor stap ‘het regelsysteem’ in hun wereld te laten terugkeren, kan er worden geverbaliseerd en opgespoord. Ik kan inmiddels genoeg buurten aanwijzen die er zo uiteindelijk bovenop zijn gekomen. De mensen – niet alleen wijkagenten - die daar een begin mee hebben gemaakt, bewonder ik.

Bijbenen

Maar mijn werk bestaat uit het lezen over zulk politiewerk en wel in onderzoeksverslagen, werkstukken van studenten en ambtelijke nota’s. Na te gaan wat daarin over die werkelijkheid te vinden is. De taaiste kost vormen beleidsnota’s, vooral omdat die niet alleen iets beschrijven maar vooral willen beïnvloeden. Aan mij dan de bijkomende taak om te achterhalen welke impact deze zullen hebben op de organisatie en het werk van de politie. Voormalig minister Ivo Opstelten maakte dat niet gemakkelijk. Met zijn taalgebruik deed hij iets waar andere politici ingewikkelde machinaties voor nodig hebben: hij creëerde faits accomplis. Politiek gezien erg knap maar voor onderzoekers hersenbrekend. De vraag was niet meer of het betoog van de minister correspondeerde met de werkelijkheid maar of de werkelijkheid nog wel de minister kon bijbenen. Het antwoord is – zo vrees ik – ontkennend.
Gelukkig (voor ons onderzoekers) is van zijn peptalk in ambtelijke nota’s niet veel meer te merken. Nu domineert weer proza dat zacht reutelend voortkabbelt. Je versuft een beetje bij het lezen en slikt aldus zelfs neologismen als ‘gezagen’ (nieuw meervoud van bevoegd gezag) voor zoete koek. Totdat je, zoals mij een week geleden overkwam, plotseling wakker wordt geschud door een heldere zin als: “Door de klantwaarde te verhogen, zal de effectiviteit van de politie toenemen. Om dat te realiseren zal een monitoringsysteem moeten worden ingericht om verwachtingen enerzijds en klanttevredenheid anderzijds te monitoren.” Klaarblijkelijk was ook de minister door de zin getroffen want hij citeerde deze letterlijk in een brief aan de Tweede Kamer.

Ik schrok niet van de antiquarische visie waarvan de zin en het rapport getuigden, de gedachte dat de politie een grondstoffen verwerkend productiebedrijf is en dat bij een gebrek aan een markt het oordeel van de consumenten over het product per enquête moet worden vastgesteld. Die visie ken ik uitentreuren. Die wekt bij mij hoogstens nog de bizarre fantasie hoe een bekende klant van de politie als Willem Holleeder in zijn streng bewaakte cel telefonisch door een commercieel bureau wordt benaderd met de vraag hoe hij de behandeling door politie en justitie op een vijfpuntschaal waardeert.
Nee, ik denk dan met pijn in het hart aan die wijkagenten die na de briefing weer de wijk in moeten stappen. Hoe reageren zij op zo’n aankondiging van het zoveelste monitoringsysteem? Houden zij er wel de moed in en brengen zij nog de nodige gestrengheid en compassie op of worden zij overmand door ergernis over ‘die lui daar boven’ en gaan zij politiestatistieken vullen, aldus de minister de illusie bezorgend dat ‘het lerend vermogen’ en ‘de effectiviteit’ van de politie toenemen?

Wereldvreemd

Die voorstelling is extra schrijnend doordat ik ook de leefwereld ken waaruit zulke wereldvreemde plannen opborrelen. Daar is geen kwade opzet in het spel. Wie vanaf de Haagse toppen op de politieorganisatie neer kijkt, ziet een grote mierenhoop waar iedereen door elkaar marcheert. De blik van de bergbewoners wordt gevormd door spreadsheets waarin gemeld wordt hoeveel zaken de voorafgaande drie maanden in de justitiële keten zijn uitgevallen, voor welke delicten de ophelderingspercentages nu weer zijn gedaald. Zou met een nieuwe richtlijn de doorstroming niet kunnen worden bevorderd, is dan al snel de gedachte? Dan kan bovendien in het komende overleg waarop die cijfers worden besproken, al worden gemeld dat actie is ondernomen en verbetering valt te verwachten? De kroon op zulke richtlijnen is een monitoringsysteem.
Ik ben geen tegenstander van strakke politiechefs, van bureaucratie en bureaucratische richtlijnen. Ik weet ook dat lang niet alle wijkagenten zich gretig op de problemen in hun buurt storten. Sommigen zijn ontmoedigd of gefrustreerd; sommigen hebben een oppepper van hun baas nodig. Maar wat zij niet nodig hebben is een nieuw monitoringsysteem. Dat ondermijnt de bestuurskracht van de politie alleen nog maar meer.
Voor zowel de relatie tussen politie en burgers als voor die tussen politieleiding en personeel geldt dat wie gezag over een ander wil uitoefenen, eerst die ander moet begrijpen en door die ander begrepen moet worden. Vervolgens moet wederzijds respect worden opgebouwd en pas dan kan met vrucht streng worden opgetreden. Een goede wijkagent begrijpt dat en trotseert met het oog op de toekomst bij de eerste aanpak van een probleembuurt ‘het regelsysteem’. Laten we hopen dat een nieuwe minister van Veiligheid en Justitie ook begrijpt hoe het echt werkt.

Blogger

Guus Meershoek

Guus Meershoek studeerde politicologie aan de Universiteit van Amsterdam, is lector Politiegeschiedenis aan de Politieacademie en universitair docent Bestuurskunde aan de Universiteit Twente. Hij publiceerde over verleden en heden van de Nederlandse politie.