Recensie

‘Cinema Olanda’ dreigt onder te sneeuwen

Nederland op Biënnale Venetië

Wendelien van Oldenborgh maakte van het Nederlandse paviljoen in Venetië een bioscoop, waar diversiteit een thema is.

Interieur van het Nederlands paviljoen op de Biënnale van Venetië. Foto's Daria Scagliola

Er klinkt onvervalste Indo-rock uit het Nederlandse paviljoen op de Biënnale van Venetië. De gitaarriffs doen denken aan de Tielman Brothers, de legendarisch rockgroep uit de jaren zestig, maar dit Indo-gitaarduo is jonger. Op een groot filmscherm is te zien hoe ze improviseren op de tonen van hun muzikale grootvaders: een perfecte versmelting van Amerikaanse rock-’n-roll en Indonesische tokkelmuziek.

Die muzikale link is slechts een van de vele verhaallijnen in de nieuwe film Cinema Olanda, die Wendelien van Oldenborgh voor haar tentoonstelling op de Biënnale maakte. Van Oldenborgh heeft van het Nederlands paviljoen een bioscoop gemaakt. Bij binnenkomst stuit je op een gele wand die dwars in de ruimte staat en het daglicht tegenhoudt. Erachter schuilt een metershoge tribune van multiplex, een lekkere informele hangplek. Daar draait haar vijftien minuten durende film.

Van Oldenborgh wil veel vertellen in dat kwartier. Cinema Olanda gaat niet alleen over de massa-immigratie van Indonesiërs in de jaren vijftig, maar ook de in Suriname geboren activist Otto Huiswoud, een van de eerste zwarte leden van de Amerikaanse communistische partij, komt aan bod. Een jonge, zwarte kunstenaar, Patricia Kaersenhout, draagt een gedicht van de Afro-Amerikaanse activist Langston Hughes voor. En een multiculturele band van tieners, genaamd Addiction, zingt over solidariteit: ‘We’re all humans, that’s what matters’.

Stalinistische kerktoren

Ook het decor van de film, de St. Bavokerk in de Rotterdamse wijk Pendrecht, is betekenisvol. Pendrecht werd in de jaren vijftig ontworpen door de socialistische architecte Lotte Stam-Beese, die een tijdlang in de Sovjet-Unie werkte. Van Oldenborgh laat haar camera liefdevol langs de stalinistische kerktoren en de socialistische mozaïeken glijden. Het knappe is dat ze de hele film in één take heeft opgenomen. De camera volgt de verschillende personages tijdens hun tocht door het gebouw.

Lees ook het interview met Wendelien van Oldenborgh: ‘Het moet in één keer goed zijn’

Het Nederlandse paviljoen, in 1953 door Gerrit Rietveld ontworpen, stamt uit dezelfde tijd en straalt hetzelfde modernisme uit. Nederland wilde er destijds een modern zelfbeeld mee uitstralen: wij zijn een open en transparant land. Voor Van Oldenburgh is haar bijdrage aan het nationale paviljoen vooral een manier om te reflecteren op onze koloniale geschiedenis – een thema dat in veel van haar filmwerken voorkomt. Dat zogenaamde progressieve Nederland had ook een keerzijde, is haar boodschap.

Het diversiteitsvraagstuk dat ze aansnijdt, is een belangrijk en actueel thema. Maar het is de vraag of haar nieuwe film aanslaat bij een internationaal publiek, dat minder bekend is met de Nederlandse koloniale geschiedenis.

Ook de tweede film die in het paviljoen draait, Prologue: Squat/Anti-squat uit 2016, kampt met dit probleem. Hierin praten krakers, activisten, historici en architecten over onder meer de Surinaamse kraakactie in de Bijlmer, de Vluchtkerk en de Maagdenhuisbezetting. Het is een film als een brainstormsessie. Er wordt véél gepraat, door véél verschillende mensen. Maar in hoeverre is al die informatie relevant voor een breed kunstpubliek?

Dit zijn films die je meerdere keren moet zien, omdat ze dan pas hun gelaagdheid en meerstemmigheid prijsgeven. Maar op de kunstkermis die de biënnale ook dit jaar weer is, dreigt zo’n serieuze, inhoudelijke presentatie onder te sneeuwen.