Column

Relletjes in Cannes: rijp voor het museum?

Xavier Dolan kan er niet meer tegen. De Canadese regisseur liet weten dat hij zijn volgende film niet meer op het filmfestival van Cannes in première wil laten gaan. Reden is de „cultuur van pesterijen” en „ongegronde haat” die volgens hem op het festival heerst en waarvan zijn film Just la fin du monde vorig jaar het slachtoffer werd.

De film won weliswaar de Jury-prijs, maar werd ook onthaald op boegeroep. Het toeval wil dat Dolans nieuwste film, John F. Donovan, dit jaar sowieso niet op tijd klaar is voor Cannes. De tijd zal leren of Dolan zijn besluit ook echt doorzet. Het festival blijft een van de mooiste podia die een filmmaker zich kan wensen om nieuw werk te presenteren.

Maar er kleven ook risico’s aan. In de oververhitte sfeer van duizenden op een kluitje verzamelde filmjournalisten kunnen emoties snel oplopen: een sterke film lijkt meteen een meesterwerk, een zwakkere film al gauw een compleet echec. De Cinémathèque Française in Parijs komt momenteel alvast in de stemming voor Cannes met een retrospectief van films die schandaal en controversen hebben opgeroepen op het festival.

Daarbij horen zulke causes célèbres als de première van Michelangelo Antonioni’s plotloze L’avventura, dat bij festivalgangers in 1960 op vrijwel unaniem onbegrip stuitte. Inmiddels geldt de film als een van de belangrijkste uit de filmhistorie. Dat is een precedent waaraan elke filmmaker die ooit is uitgefloten in Cannes zich kan vastklampen.

Festivaldirecteur Thierry Frémaux leverde een typologie van de schandalen in Cannes bij het Parijse filmprogramma. Frémaux onderscheidt allereerst het ‘esthetische schandaal’: films die artistiek gezien iets volledig nieuws proberen te doen en om die reden op veel weerstand stuiten. L’avventura valt in die categorie. Dan zijn er de films die aanstoot gaven om politieke redenen: Nuit et brouillard van Alain Resnais was in 1956 een van de eerste films over de Holocaust; Fahrenheit 9/11, de polemiek van Michael Moore tegen George Bush en de oorlog in Irak, kreeg in 2004 de Gouden Palm – volgens Frémaux duidelijk om politieke redenen en niet per se vanwege de artistieke kwaliteit.

Dan zijn er de films die vanwege hun expliciete geweld en vermeende sadisme tot boosheid leidden (Funny Games van Michael Haneke). Maar de heftigste schandalen hangen samen met expliciet en obsceen materiaal. Die schandalen vonden vooral plaats in de jaren zeventig en tachtig, toen filmmakers er driftig op los provoceerden: de depressieve vreetfilm La grande bouffe van Marco Ferreri gaf aanstoot, evenals Max mon amour van Nagisa Oshima. Daarin deelt Charlotte Rampling het bed met een chimpansee.

Echte schandalen zijn inmiddels schaars. Wat zou Cannes zijn, schrijft Frémaux enigszins bezorgd, zonder publiek dat demonstratief wegloopt bij voorstellingen, zonder veeleisende festivalgangers en een soms ronduit vijandige pers? Gerust is de festivaldirecteur er niet op: „Zijn we in een tijdperk beland dat niet meer de energie kan opbrengen om strijd te leveren? Vergis ik me als ik met spijt constateer dat de consensus tegenwoordig vaker domineert dan in het verleden?” Hopelijk bewijst een knetterende editie van het festival, dat volgende week voor de zeventigste keer begint, dat de zorgen van Frémaux prematuur zijn.