Lieve Mohammed,

Deze week richten auteurs zich tot hun 13-jarige zelf. „Je leek in de wieg gelegd voor ingenieur”, schrijft in deel 2.

Wat een boefje was je! Pietje Bell van de Sterrenbuurt. Geliefd om je krullenbol en kastanjebruine kijkers (Marokkanen golden nog als iets exotisch). Befaamd om je fratsen. Kikkertjes in capuchons van meisjes. Wespen door brievenbussen. Rotjes in hondendrollen. Herfstbladeren branden in de kelder omdat dat zo’n schitterende rook gaf in de traphal. Met pvc-buizen besjes schieten op voorbijgangers vanuit een boomhut (er stonden nog bomen in plaats van wipkippen). En ’s winters (winters waren nog winters) stiekem achter autobumpers hangen, lekker roetsjen door de sneeuw.

Maar op school een voorbeeldige leerling. Klinkende rapportcijfers. Je mocht altijd op schoot van Sinterklaas, in wie je tot je twaalfde geloofde omdat je niet kon geloven dat moeder die luxe Merci-chocolade in je schoen stopte, omdat vader alleen Koetjesreep kocht. Na de basisschool stoomde je (ondanks het wonderlijke Citotoets-advies voor mavo) via de havo brugklas door naar atheneum. Je wilde later ‘voetballer’ worden. Of ‘adjunct-directeur’ (dit vond je mooier klinken dan ‘directeur’).

Bruce Lee en Sandokan verdwenen naar de achtergrond, je nieuwe held was Maradona, de fabelachtige baltovenaar. Zoals hij Argentinië wereldkampioen maakte, Mexico ’86, die ongelooflijke heroïek. Op het veldje achter je flatje speelde je eindeloos dat doelpunt na tegen Engeland, dribbelend vanaf de middellijn, de hele defensie in de luren leggend. Met je krullenbol, je kleine postuur en fraaie voetbalkunstjes werd je op VV Zwijndrecht ‘Marmar’ genoemd: de Marokkaanse Maradona. Voorbestemd voor FC Barcelona. Maar je kwam niet verder dan de Dordtse Selectie.

Vader (zelf cum laude analfabeet) wilde eigenlijk niet dat je naar het atheneum ging. Hij had niks met studeren. Duur en duurt lang. Liever lts, automonteur worden. Zodat je die garage kon openen in het dorp in Marokko, waar we vroeg of laat zouden terugkeren. Maar juffrouw Sint en meester Verduin wisten hem te overtuigen dat je goed kon leren. Dat je advocaat of dokter kon worden. Maar dokter of advocaat ben je nooit geworden. Evenmin adjunct-directeur.

Op het atheneum bleek je knap in logaritmes en mathematische vergelijkingen. Helder, logisch nadenken. Je leek in de wieg gelegd voor ingenieur of astrofysicus. Nederlands en boekenlijsten vond je vreselijk.

Maar de wind woei anders. Niks sinus en cosinus. Wel sociologie aan de Erasmus Universiteit. Je raakte verliefd op taal. Op verhalen. Op literatuur. Uit verre werelddelen.

Na je studie ging je zelf schrijven. Verzot op mooie tekstcomposities. Verhalen, columns, essays. Als zoon van twee analfabete ouders werd taal je broodwinning. Je schrijft een boek over je moeder (Yemma) dat je moeder zelf niet kan lezen; je schrijft een roman waarin je vader figureert (De Koning Komt) die je vader zelf niet kan lezen. Voor je ouders geldt één waarheid: de Koran. Voor jou telt één ding: schoonheid.

Uiteindelijk ben je geworden wie je was: een koekoeksjong. Gevoed in een nest dat niet het jouwe was. Waar je per abuis belandde en uitvloog en… altijd die vreemde vogel bent gebleven.