Cultuur

Interview

Interview

Stef Clement, de helper die zich totaal wegcijfert

Meesterknecht Het gaat weer goed met Stef Clement, dienaar bij uitstek. Als adjudant heeft hij zich gecommitteerd aan Steven Kruijswijk. „Ik mis het karakter voor een kopman.”

Er zijn in de Ronde van Italië allerlei benamingen voor de rol van wielrenner Stef Clement (34) in omloop: meesterknecht, opper-adjudant, de allerlaatste man – in alles ligt wel iets van een superlatief besloten.

De helper van ’s lands meest kansrijke kopman Steven Kruijswijk wordt een onmisbare rol toegekend als straks de bergen komen, dinsdag voor het eerst, in de vierde etappe die eindigt op een van de actiefste vulkanen ter wereld, de Etna op Sicilië.

Pittige taak voor iemand die aanvankelijk te boek stond als een tijdrijder, schoolvoorbeeld van de eenzame renner, die te maken heeft met zichzelf en alleen dat. „Nee hoor”, reageert Clement na een rustig dagje trappen op de El Teide-vulkaan van Tenerife. Zijn huid zit strak om zijn kaken, de sportkleding hangt losjes om zijn dunne lijf. „Het is juist heel simpel. De enige om wie ik me druk hoef te maken is Kruijswijk. Bij hem blijven is nu mijn tweede natuur.”

Stef Clement komt over de finish tijdens de zeventiende etappe van de Tour de France 2016 tussen Bern en Finhaut-Emosson. Foto Bas Czerwinksi/ANP

Clement noemt zichzelf plichtsgetrouw, een karaktertrek die een paar jaar geleden uit een persoonlijkheidstest naar boven kwam. „Ik heb een groot verantwoordelijkheidsgevoel”, dreunt hij op. „Naar mezelf, maar ook naar anderen. Dat kun je inderdaad een dienend karakter noemen. Uit zo’n test blijkt dus maar dat ik niet het karakter heb om een kopman te zijn. Daar heb je andere trekken voor nodig, een killerinstinct, iemand die nooit van zijn lijn wijkt. Dat heeft Kruijswijk.”

Op trainingskamp zag dat er zo uit: Clement en Kruijswijk reden vaak samen een berg op, de voorbije weken was dat op Tenerife, afgezonderd van huis en haard, aangewezen op elkaar. Ze hebben een klik, dus dat ging prima. Kruijswijk bepaalt altijd het tempo, zegt Clement. Ook als hij zich sterker voelt? „Dan laat ik dat dus niet zien. Trainingen die wij samen doen, zijn niet alleen fysiek belangrijk. Het is ook mijn taak om zijn moreel hoog te houden. Dan ga ik niet even lekker vóór hem rijden.”

’Het betaalde goed’

Zich onvoorwaardelijk wegcijferen voor een de man die hij zijn vriend noemt – Clement en Kruijswijk reden een aantal jaar geleden bij Rabobank, Belkin en Blanco, kregen tegelijkertijd kinderen, kennen elkaar uit het Brabantse – zit dus in Clements karakter. Het kostte hem best wel even om dat te accepteren. Na zes jaar in Nederlandse dienst koos hij er drie jaar geleden voor om naar het Zwitserse IAM Cycling te verkassen, toen nog een niveautje lager, pro-continentaal, „maar het betaalde goed”.

Clement was al eenendertig, als hij nog voor eigen succes wilde gaan, moest het nu gebeuren. Hij probeerde het, maar als hij de kans kreeg om voor Jarlinson Pantano en Mathias Frank te rijden, voelde dat toch veel prettiger. „Dan was ik weer happy.”

Hoe dan ook zag het er naar uit dat de carrière van Stef Clement, viervoudig Nederlands kampioen tijdrijden, vorig seizoen als een nachtkaars zou uitgaan. IAM Cycling zou er aan het eind van 2016 mee stoppen. Toen hij in Zwitserland in zijn eentje op hoogtestage was, overwoog hij zelf dan ook maar een punt achter zijn carrière te zetten. „Ik dacht: het is mooi geweest, ik ga meer tijd met mijn kinderen doorbrengen. Ik ben een sociaal mens, miste contact met anderen. Zat ik daar op een klein hotelkamertje bij zo’n weerstation, tot mijn knieën in de sneeuw. Er stond een tafel om aan te eten en een roller om op te fietsen. Ik moest hard trainen, want ik wilde een goede Dauphiné rijden. Lukte dat, dan kon ik misschien de Tour de France rijden. En rijd je daar goed, dan heb je kans op een nieuw contract ergens. En toen zag ik Kruijswijk op tv zowat de Giro winnen. Potverdomme, dacht ik, daar ben ik niet bij.”

Clement durfde Kruijswijk niet te bellen in die dagen, hij voelde zich bezwaard, bang dat een telefoontje zou worden opgevat als een verkapte sollicitatie van een uitgerangeerde renner. In plaats daarvan trainde hij hard. Hij reed een uitstekende Dauphiné (vijftiende) en daarna een tamelijk daverende Tour de France (achttiende). Vooral zijn derde week was indrukwekkend, met alleen maar goede klasseringen in bergetappes.

Met die prestatie verdiende hij een contract, want Kruijswijk had het gezien: als hij volgend seizoen opnieuw een gooi naar het roze in de Giro wilde doen, had hij zijn oude ploegmakker nodig. Clements komst werd een voorwaarde voor Kruijswijk om bij Lotto-Jumbo te blijven. Dus zo geschiedde. Clement: „We hebben in het verleden vier jaar samen gereden. Steven weet precies wie hij binnenhaalt. Ik ben gedreven, let goed op mijn voeding. Hij weet dat ik dezelfde beroepsernst heb, dus hij kan volledig met zichzelf bezig zijn.”

Nuchtere Brabanders

Het zijn twee nuchtere Brabanders, Clement en Kruijswijk. Ze kunnen alles tegen elkaar zeggen, voelen elkaar goed aan. „Soms is Steven kortaf of bitsig, in de koers vooral. Ik weet dan dat het niet persoonlijk is bedoeld.”

Fysiek zijn ze naar elkaar toegegroeid, er zit bij beide mannen geen gram te veel op. En beiden dragen in ruste graag hun Lotto-petje met de klep naar achteren. De twee vormen een front, dat deze Giro nog niet echt heeft gefunctioneerd, op een korte beklimming van de tweede categorie na. Clement: „Ik heb af en toe een rondje bidons gehaald, maar de Etna is voor mij de eerste test.”

Clement kent de vulkaan, net als Kruijswijk. In 2011 verloor Rabobank het roze van Pieter Weening op de flanken van de Etna aan Alberto Contador. Kruijswijk eindigde dat jaar als achttiende in de Giro. „Het is een loper”, zegt Clement, „een berg die nooit echt steil wordt. Daar gaan we zien hoe we ervoor staan.”