Recht & Onrecht

Band tussen goede doel en gever steeds commerciëler

Hoe de burger tot méér geven aan goede doelen kan worden bewogen, is een populair wetenschappelijk thema. Iets te populair, vindt Petra Jonkers, in de Gedragscolumn.

Op de Dag van de Filantropie, vorige maand presenteerden onderzoekers van de VU hun laatste onderzoek naar geefgedrag van bedrijven en burgers. Ze waren vooral bezorgd over burgers, die procentueel steeds minder geven van hun besteedbare inkomen. Die procentuele afname wijten de onderzoekers aan de secularisatie. En aan de afname van prosociaal gedrag, het helpen van anderen.

Dat hangt weer samen met dalend vertrouwen in de samenleving. De mensen die wél geven, geven trouwens meer. Kort door de bocht zijn dat de resterende protestanten en hoger opgeleiden. 20 procent van de huishoudens geeft ongeveer 80 procent van alle giften. Een wake-up call voor goede doelen, aldus onderzoeksleider René Bekkers.

Vrijgevigheid

De goede doelen die meer geld willen ophalen bij burgers kunnen te rade gaan bij de sociale psychologie. Of opnieuw, de beïnvloedingsprincipes van Chialdini worden tot vervelens toe ingezet: “De meeste mensen doneren maandelijks 15 euro.” Die technieken worden bovendien steeds verder ontwikkeld. Het levert bijvoorbeeld meer op om mensen in de sociale context van hun werk te laten geven. Of wat dacht u van de bevinding dat mensen die eerst mogen gissen hoeveel mensen gemiddeld doneren, zelf vervolgens meer geven?

Ik kan nog even doorgaan: rijkere mensen geven meer als goede doelen weten aan te sluiten bij hun persoonlijke doelen, en minder rijke door gemeenschappelijke doelen te benadrukken. Een blije student geeft eerder hulp ongeacht kosten en opbrengsten. De negatieveling helpt pas als de lasten laag en de opbrengsten hoog zijn. Als klap op de vuurpijl: we vinden het wel irritant dat goede doelen ons steeds om giften benaderen, eraan toegeven maakt wel gelukkiger. Enzovoorts.

Kriegelig

Nu ben ik dol op gedragswetenschappelijke kennis (trouwens ook op giftenaftrek), maar op de een of andere manier word ik wat onrustig van dit voortschrijdende donoronderzoek. Maar waar zit ‘m dat in? Ten eerste moeten goede doelen steeds nauwkeuriger profielen aanleggen om het geefgedrag van potentiële donoren te kunnen optimaliseren. En voor grotere spelers zal dat gemakkelijker zijn. Ze gaan daarmee meer lijken op commerciële partijen, terwijl het zo fijn was dat ze zich daarvan onderscheidden.

Ten tweede valt me op dat de onderzoekers die zo fier zijn op al het prachtigs dat zich van oudsher in het Nederlandse maatschappelijke middenveld bevindt, ook zo toegewijd zijn aan het minutieus in kaart brengen van die gevers, met het oog op het begrijpen (en verhogen) van hun geefgedrag. Zo vanzelfsprekend is die participatie van burgers kennelijk niet. Ze spreken het niet hardop uit, maar het lijkt wel of ze vrezen dat het onvolprezen middenveld straks veel meer gedragen zal worden met opbrengsten van bedrijven en loterijen, als burgers niet meer rechtstreeks gaan geven.

Autonome keuzes

De inzet van de gezamenlijke goededoelenorganisaties en fondsen (de ontvangers) bij de Eerste en Tweede Kamer in het debat over de giftenaftrek (door de gevers) is nu vooral gericht op hervormen met behoud van de aftrek. Zonder die aftrek zouden ze misschien wel 30% aan inkomsten via donaties kunnen mislopen. Dat is begrijpelijk, maar het is me nog wat teveel geredeneerd vanuit de ontvangers: als onze inkomsten maar niet verloren gaan.

Zou je met het behoud van aftrekmogelijkheden en het gericht aanmoedigen van het gebruik, niet eerder (kleinere) gevers moeten stimuleren om autonome keuzes te maken voor doelen die ze echt willen steunen? Dat zal ook de diversiteit ten goede komen. Naast de keuzes die goede doelenloterijen, bedrijven en de (zeer) vermogende families maken.

 Petra Jonkers is politicoloog en rechtssocioloog. Eerder publiceerde zij over gedrag en kwaliteit van regelgeving. De Gedragscolumn verschijnt wekelijks en wordt geschreven door sociale wetenschappers.