Opinie

Een linkse lente na Macron, serieus?

Frankrijk ontsnapte aan Le Pen, maar links en rechts zijn nog steeds in crisis, schrijft . Dat is ook een waarschuwing voor andere landen in Europa.

Foto Joel Saget/AFP

Na de Franse Revolutie zaten de parlementsleden die de nieuwe republikeinse orde steunden links in de Assemblée Nationale, en de leden die terugverlangden naar de oude orde van kerk en monarchie rechts. Vandaar de termen ‘links’ en ‘rechts’. In commentaren over de Franse verkiezingen wordt wel geopperd dat die termen niet meer passen bij de hedendaagse politiek – niet in Frankrijk en ook niet elders. Emmanuel Macron gaat er juist prat op dat hij links noch rechts is.

Daar is Marine Le Pen het niet mee eens. Voor haar is Macron – oud-minister in een socialistisch kabinet – toch typisch links. Le Pen sprak, althans naar eigen zeggen, in naam van het volk, terwijl ze Macron tegelijk afschilderde als een pion van internationale elites en het grootkapitaal. Dus wat betekent rechts of links nu nog?

Er is zeker iets verschoven in de laatste decennia van de twintigste eeuw. Linkse partijen verloren, in sommige landen sneller dan in andere, hun basis in de industriële arbeidersklasse. De sociale emancipatie van etnische en seksuele minderheden werd belangrijker. Verdeling van economische welvaart schoot daar een beetje bij in. Het oude verbond tussen intellectuele idealisten en vakbonden maakte plaats voor een coalitie van intellectuelen, feministen en minderheden.

Ook aan de rechterkant begon het te schuiven. Rechtse partijen bewezen lippendienst aan de sociaal behoudende en soms bigotte opinies van de minder bevoorrechte kiezers in de provincie, maar zodra zij aan de macht waren kwamen de grote zakenbelangen eerst. De belangen van grote bedrijven gingen soms goed samen met die van de evoluerende linkse partijen: open grenzen, immigratie, internationale instellingen. Het bedrijfsleven was voor goedkope arbeid, en links verdedigde de multiculturele samenleving.

Het was dus niet zo verbazend dat Europese sociaal-democraten zich best konden vinden in coalitieregeringen met liberalen of christen-democraten. Deze trend werd sterker na de val van het Sovjetrijk. Na de Koude Oorlog vond men het niet meer nodig een egalitair tegenmodel te handhaven om het communisme minder aantrekkelijk te maken. Met name Tony Blair en Bill Clinton hadden groot succes door zich te richten naar het neo-liberale, bedrijfsvriendelijke midden.

In die zin zijn de verschillen tussen links en rechts inderdaad verlept. Links betekent niet langer meer dat het vertrapte proletariaat moet worden beschermd tegen de bourgeoisie en het grootkapitaal. De reden waarom de Britse Labourpartij nauwelijks nog een rol speelt is omdat zij wordt geleid door een man die met zijn hoofd nog in de jaren zeventig zit.

Het traditionele verschil tussen links en rechts is niet alleen economisch. Er bestond een diepe kloof in de Franse Assemblée, tussen de Dreyfusards en de anti-Dreyfusards in de jaren 1890, en tussen het Volksfront van Léon Blum en de Action Française in de jaren 30 van de vorige eeuw. Deze kloof bestaat nu nog steeds in de tijd van Macron en Le Pen.

Geheiligde tradities

Verdedigers van de Franse republiek, mensen die vrijheid, gelijkheid en broederschap serieus namen, baseerden hun idee van burgerschap op het recht, en niet op ‘bloed en bodem’. Instituties waren voor hen belangrijker dan geheiligde tradities.

Hun sympathie en solidariteit was eerder internationaal dan nationaal. Alfred Dreyfus, de joodse officier die vals werd beschuldigd van landverraad, was daarom zo’n polariserende figuur omdat hij door de rechtse anti-Dreyfusards werd gezien als symbool van nationale verloedering, van zuiver Frans bloed dat door vreemde smetten werd bedreigd.

In de ogen van anti-semieten en andere ‘bloed en bodem’- adepten worden „kille bankiers” (in de woorden van Le Pen in het laatste debat met Macron) graag gezien als vijanden van „het echte, het fatsoenlijke volk” (Brexit-voorvechter Nigel Farage tijdens een verkiezingsbijeenkomst van Trump).

In die zin is Macron, een voormalige bankier bij Rothschild en een man die gelooft in open grenzen en internationale instellingen, inderdaad links. En Marine Le Pen, de voorvechtster van La France profonde, het „echte Frankrijk” van rurale christenen en boze blanke burgers die geloven dat een moslim nooit een ware Fransman kan zijn, een erfgename van de anti-Dreyfusards en de Action Française.

Macron heeft ditmaal gewonnen. Maar daardoor is de crisis van de sociaal-democratie nog niet opgelost. Labour ligt in het Verenigd Koninkrijk op sterven. Met de Nederlandse PvdA gaat het niet beter. En Donald Trump, een gevaarlijke blaaskaak zonder politieke ervaring, werd president door het „echte volk” op te hitsen tegen culturele elites, bankiers, buitenlanders, immigranten en internationale instituties.

Onder één politiek dak

Is het mogelijk voor linkse partijen om te overleven als de armere autochtone bevolking steeds meer opschuift naar rechts? Of verschaft het groeiende verschil tussen arm en rijk nog een kans om hen terug te krijgen onder hetzelfde politieke dak als immigranten en minderheden? En hoe strookt dit met de belangen van het zakenleven?

Zoals gezegd: ook op rechts ging het schuiven. En nu is het crisis. Trump omringde zich met ex-bankiers terwijl hij zichzelf verkoopt als de stem van het volk. De Republikeinen klampen zich aan hem vast in de hoop dat zij daar politieke winst uit kunnen slaan.

Maar de oude Republikeinse Partij van behoudende zakenlieden en een internationalistische buitenlandse politiek is in feite door Trump gekaapt. Is het op den duur mogelijk voor een conservatieve partij om zijn benepen populisme te combineren met zakenbelangen die wel varen bij immigratie, open grenzen en internationalisme?

Frankrijk is ontsnapt aan Le Pen. Maar de strijd is niet beslecht. Links en rechts zijn veranderd, maar de oude kloof van de revolutie van 1789 is er nog steeds. Macron is vol goede wil. Als hij faalt, dan komen de anti-Dreyfusards weer terug. Met dubbele kracht.