Cultuur

Interview

Interview

Antropoloog Don Kalb: „Het neo-nationalistische verhaal draait om ‘herstel’ van een sociale rangorde.”

Foto Eivind Senneset / universiteit van Bergen

Het oosten van het Oosten is woedend

Antropoloog Don Kalb

De integratie van Oost-Europa in de EU mislukte doordat perifere gebieden verarmden. Dit voedt het neo-nationalisme daar.

De overgang in Oost-Europa van staatssocialisme naar democratie wordt in West-Europa steevast voorgesteld als een succes. Dat is een groot misverstand, zegt de Nederlandse antropoloog Don Kalb. Hij is hoogleraar aan de Central European University (CEU) in Boedapest en deed twintig jaar onderzoek in Polen en Hongarije. De opkomst van radicaal nationalisme in deze landen beschouwt hij als symptoom van een mislukte integratie.

De CEU is opgezet met geld van de Hongaars-Amerikaanse financier George Soros, om de overgang naar democratie in Oost-Europa te ondersteunen met onderwijs en onderzoek. Viktor Orbán, de nationalistische premier van Hongarije, heeft geprobeerd de CEU te sluiten. Hij ziet in Soros, en de door hem gesponsorde ngo’s, een links-liberaal complot. De premier schildert de joodse financier in het openbaar af als een ‘kosmopolitische’ stokebrand, een scheldwoord uit het antisemitische repertoire.

Kalb, via de telefoon: „Met het oog op de verkiezingen in maart 2018 heeft Orbán Soros de oorlog verklaard. Dat is vooral bedoeld om Jobbik, een nog rabiater nationalistische afsplitsing van Orbáns partij, de wind uit de zeilen te nemen.” De heersende wind in Hongarije waait uit radicaal rechtse hoek.

Orbán bekent zich openlijk tot een ‘illiberale democratie’. Kalb: „Hij bedoelt daarmee dat hij de checks and balances uit het systeem wil halen ten gunste van een sterke uitvoerende macht. Na zijn ingreep in de Centrale Bank pakte hij het Hooggerechtshof aan. Nu breidelt hij vooral de media. De belangrijkste oppositiekrant, de centrum-linkse Nepszabädsäg, is onder druk van Orbán verkocht aan Maria Schmidt, een miljonair en rabiaat rechtse ideologe die nauw verbonden is met Orbán. Zij heeft de krant meteen opgedoekt. Een van de vele voorbeelden hoe de media aan banden zijn gelegd.”

Fidesz, de partij van Orbán, begon in de jaren tachtig als een club van jonge liberalen, voorstanders van een democratie en een vrije markt. Vanwaar deze ruk naar rechts? Kalb: „Het werd Orbán aan het eind van de jaren negentig duidelijk dat hij met een liberaal programma naar het voorbeeld van de Oostenrijkse ÖVP, waar hij zich altijd op had georiënteerd, nooit verkiezingen zou winnen. Hij is toen de nationalistische kaart gaan spelen om verarmde arbeiders uit de provincie te mobiliseren.”

In perifere regio’s, in het oosten van het Oosten, daar ligt volgens Kalb de bakermat van het neo-nationalisme in Oost-Europa. Ook de erfenis van het verleden speelt een rol. Maar het was vooral de manier waarop deze landen zijn opgenomen in de EU die de aanzet gaf tot de jongste autoritaire wending, zegt de antropoloog. „Als je gebieden met een verouderde industrie integreert in de Europese markt, dan leven ze niet op, maar storten ze in eerste instantie in. Iedere sociale wetenschapper weet dat. En dat is ook gebeurd. De toetreding in 2004 kwam te laat en was niet genereus genoeg. Per inwoner heeft Oost-Europa van de EU maar 10 procent gekregen van wat Spanje, Griekenland en Portugal kregen. En het gebeurde heel laat. In 1989 ontstond de opening en pas in 2004 kwamen de geldstromen echt op gang. Pas in 2005 zag ik dat er weer gezaaid werd op het land. Daarvoor lag alles plat.”

Antropoloog Don Kalb: „Het neo-nationalistische verhaal draait om ‘herstel’ van een sociale rangorde.”. Foto Eivind Senneset / universiteit van Bergen

Het verhaal van de industrie is nog treuriger, zegt Kalb. „Socialistische industrialisering betekende dat per bedrijfstak vestigingen naar de provincie werden gebracht. Al die werkgelegenheid verdween aan het begin van de jaren negentig. Niet voor een paar jaar, voor wel vijftien jaar!

„Vervolgens kon met het binnenstromende westerse kapitaal niet worden onderhandeld. Door allerlei wetten werden vakbonden in Oost-Europa aan banden gelegd. Lonen zijn laag. Mensen met wie ik in Polen sprak, hadden in 2010 een maandloon van 300 tot 350 euro – voltijdsbanen met nog eens een boel overwerk.”

De overheden in Oost-Europa waren niet in staat om belasting te heffen over de instroom van westers kapitaal. „Winsten van transnationale ondernemingen in Hongarije worden met niet meer dan 3 procent belast. In Oost-Europa voltrekt zich een her-industrialisatie op grote schaal; het is nu dé werkplaats van Europa. Landen trekken West-Europees kapitaal aan door hard met elkaar te concurreren en zo houden belastingtarieven een wedloop naar beneden. Overheden worden op die manier in handen gespeeld van het financiële kapitaal. Staten kunnen geen belasting heffen, maar ze kunnen wel lenen. In de loop der tijd zijn de staatsschulden enorm opgelopen en dat wreekte zich bij de financiële crisis van 2008.”

In Oost-Europese hoofdsteden en in sommige snel herindustrialiserende regio’s in het westen was de overgang een succes, maar in de oostelijke gebieden zeker niet, zegt Kalb. „En daar werven politieke entrepreneurs als Orbán. Zij brengen de onmacht, de klassefrustratie onder woorden en geven er richting aan. Door zich enerzijds scherp af te zetten tegen buitenlands kapitaal en de EU en anderzijds te schoppen naar ‘uitvreters’ in eigen land, zoals de Roma. In Hongarije zetten werkende armen zich af tegen iedereen die niet werkt maar wel een uitkering krijgt en hetzelfde inkomen heeft als zij. Het neo-nationalistische verhaal draait om ‘herstel’ van een sociale rangorde van werkenden en wat sociologen een surplus-bevolking noemen. Zo ontstond het idee van de Magyaar, die voor zichzelf kan zorgen, en de bedelende zigeuner.”

Voor een deel zijn die nationalistische vertogen al oud. Kalb: „Deze landen waren in de jaren twintig en dertig half of helemaal fascistisch en hebben nooit kritisch gereflecteerd op die ervaring. Bijna alle Oost-Europese naties zijn bezig het Interbellum te vieren en rechtse politici uit die tijd in het zonnetje te zetten. Nergens in Oost-Europa wordt het einde van het fascisme herdacht, of de nederlaag van nazi-Duitsland, zoals in West-Europa. In het Oosten gaan herdenkingen over de Sovjet-periode; en dat is een en al anti-communisme.”

In Hongarije speelt nog iets anders mee. In de tijd van de Habsburgse Dubbelmonarchie was het een sub-imperiale natie. In het Verdrag van Trianon (1920) moest het 60 procent van zijn grondgebied afstaan. „En”, zegt Kalb, „Hongaren spreken een taal die ze met niemand delen. Ze voelen zich dan ook snel het slachtoffer. Toch hoorde ik deze verhalen in de jaren negentig niet. Die zijn door een nieuw cohort neo-nationalistische, en in toenemende mate crypto-fascistische politici nieuw leven ingeblazen.”