Een rechtszaak als een tenniswedstrijd

Zaak-Koen Everink De strafzaak tegen de tenniscoach die een zakenman zou hebben vermoord, is maandag begonnen.

Een reconstructie voor het huis van Koen Everink, in juli vorig jaar. Foto Robin van Lonkhuijsen/ANP

„We gaan door met het onderzoek,” zegt de rechter licht geërgerd. „Andere smaken zijn er niet.”

De advocaat van ex-tenniscoach Mark de J., verdacht van de moord op zakenman Koen Everink, is het ermee oneens. Die had om uitstel gevraagd. Opnieuw begint hij over de noodzaak van aanvullend onderzoek.

„Ik onderbreek u”, zegt de rechter.

„U onderbreekt mij altíjd.”

„Nader onderzoek”, zegt de rechter, „is op dit moment niet nodig”.

„Wil de rechtbank de waarheid weten of niet”, vraagt de advocaat.

„Dus u vraagt aan de rechtbank of die de waarheid wilt weten?” De rechter kijkt verbaasd. „We zullen het noteren.”

„Noteert u het”, knikt de advocaat.

Zou de rechtszaak tegen de voormalig coach van Robin Haase een tenniswedstrijd zijn, dan zeker een vijfsetter. De eerste procesdag maandag begon met een lange discussie over de vraag of de zaak wel „zittingsrijp” is. Volgens advocaat Pieter Hoogendam loopt zijn 30-jarige cliënt het risico te eindigen „als Lucia de B.”. Hij vreest voor een gerechtelijke dwaling zolang niet álle dna-sporen rondom de plaats delict zijn onderzocht. Liefst zes forensisch deskundigen liet hij maandag komen om de rechter daarvan te overtuigen.

‘Nou dan zul je het krijgen ook’, zal die hebben gedacht. Tot diep in de avond werden de deskundigen bevraagd over de kans dat aangetroffen bloedsporen op mes en kleding afkomstig konden zijn van een ander dan Mark de J. Na zo’n uitputtingsslag raakte zelfs het publiek geïrriteerd – en dit was pas de eerste van vier zittingsdagen.

Mannen met bivakmutsen

Er staat dan ook wat op het spel: niet vaak zal in een zaak de interpretatie van de feiten door verdachte en justitie zo sterk verschillen van elkaar verschillen. De één (justitie) legt de nadruk op de gokschuld die De J. had bij Everink, dat in zijn auto een bloedspoor van de zakenman is gevonden en De J. diens dure horloge had geprobeerd te verduisteren.

De ander (verdachte) beweert zélf slachtoffer te zijn, van ontvoering. Toen hij het huis van Everink ’s avonds verliet zou hij door mannen met bivakmutsen in zijn eigen auto zijn vastgehouden terwijl zij het huis van Everink binnendrongen.

Bewijs voor deze theorie ontbreekt. Al benadrukt de verdediging dat er óók dna van onbekenden op de plaats delict is aangetroffen. Bovendien hebben enkele getuigen in de dagen voor de moord verdachte types rondom het huis van Everink gezien.

Maar waarom dan, houdt de rechter De J. voor, staan er op zijn iPad zoektermen als ‘messteek in het hoofd’, ‘klap tegen je slaap’, ‘kogel door hersenstam’.

„Ik reis dertig weken per jaar, dan verveel ik me nogal”, zegt De J. rustig. „En als je nieuwsgierig bent, dan tik je nog wel eens wat in op Google.”

Maar waarom dan, vraagt de rechter, heeft hij geprobeerd zijn zoekgeschiedenis te wissen? Tja, zegt De J. , „ik ben een wisser.”