Recensie

De jaren tachtig herleven robuust bij Depeche Mode

De show in het Ziggo Dome moet het hebben van kracht, volume en een handvol goede songs die de bewerking tot stampende stadionrockers hebben doorstaan.

Dave Gahan van Depeche Mode. Foto Ferdy Damman / ANP KIPPA

Wie 35 jaar geleden had durven beweren dat Depeche Mode nog eens een uitbundige feestband met opzwepende stampmuziek zou worden, was indertijd door liefhebbers van de “betere” popmuziek waarschijnlijk voor gek verklaard. Maar zondag in de volle Ziggo Dome stond daar een zelfverzekerd en robuust spelend Depeche Mode met versies van ‘Enjoy the Silence’ en ‘Personal Jesus’ die misschien een beetje lomp waren, maar die de handjes de lucht in kregen.

Depeche Mode is een survivor uit de jaren tachtig, die zich uit de enorme schaduw van U2 heeft kunnen losmaken als een band met een eigen historie en een eigen publiek. Begonnen als een naar binnen gekeerd synthesizergroepje dat nauwelijks bewoog op het podium, transformeerde de band halverwege de jaren tachtig in een stadionband die steeds meer overweldigende rockelementen in hun show toeliet. Zanger Dave Gahan keek de kunst van Mick Jagger af om als een pauw over het podium te paraderen. Zijn brave imago schudde hij van zich af met een bijna fatale drugsverslaving, die hij inmiddels achter zich heeft gelaten.

De elektronische postpunk van vroeger werd gespierde rock met lompe ritmes waarin de synthesizers nog altijd de dienst uitmaken

Nogal prominent

De komst van een nogal prominente drummer heeft de optredens van het oorspronkelijke trio een nieuw aanzicht gegeven. De elektronische postpunk van vroeger werd gespierde rock met lompe ritmes waarin de synthesizers nog altijd de dienst uitmaken, ook al hangen de muzikanten zichzelf nu regelmatig een decoratieve gitaar om. Voor hun Global Spirit Tour heeft Depeche Mode zich een maatschappijkritisch jasje aangemeten dat aansluit bij het sentiment achter de nog altijd op het repertoire prijkende klassieker ‘Everything Counts’: mensen zijn hebzuchtig en met z’n allen helpen we de wereld om zeep.


In openingsnummer ‘Going Backwards’ hield Gahan een tirade tegen de „cavemen mentality” waarin de mensheid zich volgens hem wentelt. In ‘Barrel of a Gun’ citeerde hij een stukje uit ‘The Message’ van Grandmaster Flash. Rappen kan hij beter laten. Bij ‘Where’s the Revolution’ werden animaties van marcherende voeten en geheven vuisten vertoond. Depeche Mode en maatschappijkritiek: het zijn ongemakkelijke bedgenoten. Dave Gahan is met zijn behaagzuchtige podiummanieren een entertainer uit de school van Freddy Mercury, ook al heeft hij een iets te beperkte en nasale stem om tot de grote zangers uit de pophistorie gerekend te worden. Entertainment is Depeche Mode’s voornaamste doel; waarom zouden ze anders die platte kermisbeat onder ‘Enjoy the Silence’ zetten en karaoke zingen bij hun eigen videoclip van ‘So Much Love’?

Stijf binnen het kader

Voor een show op Ziggoformaat hield de band het veel te stijf binnen het kader van een rechthoekig podium met achtergrondprojecties. Van U2 zouden ze kunnen leren hoe je alle mogelijkheden van zo’n zaal gebruikt. Telkens wanneer Gahan het publiek op de zijtribunes bij de muziek wilde betrekken, stuitte hij op de beperkte ruimte die het podium hem bood. De geprojecteerde achtergrondbeelden behoorden niet tot de spannendste ooit. Een konijn, een schaap, een hond en een paard moesten bij ‘Enjoy the Silence’ verbeelden dat woorden niet altijd nodig zijn voor communicatie. Dave Gahan danste met zwijgende dieren op het scherm om zijn punt te maken. Het nummer werd er hooguit banaler door.

Na een grootse finale met ‘Never Let Me Down Again’ deed Depeche Mode een gedurfde stap met een cover van David Bowie’s ‘Heroes’ in de toegift. Het werd een van de subtielere momenten van het optreden. De drummer hield zich betrekkelijk koest en Gahan zong een respectvol eerbetoon aan een zanger die hij misschien wel als een geestverwant uit het Britse popverleden beschouwt, maar die in zijn rijke carrière toch heel wat meer diepgang heeft getoond dan het tussen melodie en bombast zwalkende Depeche Mode. Hun eigen ‘Personal Jesus’ werd in een veel te lompe versie gespeeld, met drums als mokerslagen en een boogieritme dat aan Status Quo deed denken.

Popelite

De bleue jongetjes die in 1981 voor het eerst in Paradiso stonden achter hun eenvoudige synthesizerkastjes hebben het ver geschopt. Ze behoren tot de popelite uit de jaren tachtig. Toch zijn de drie oorspronkelijke leden van Depeche Mode er nooit in geslaagd een echt bandgevoel uit te dragen. Hun show moet het hebben van kracht, volume en een handvol goede songs die de bewerking tot stampende stadionrockers hebben doorstaan. Depeche Mode is een verdienstelijke maar tamelijk platte stadionact geworden, die zich vergaloppeert aan te grote pretenties ten aanzien van het wereldverbeterend gehalte van hun songs. Wie was gekomen om hoekig te dansen en enthousiast met de armen te zwaaien, kreeg waar voor zijn geld.