De honger naar palmolie is niet te stillen

Ontbossing in Indonesië Woensdag worden weer internationale afspraken gemaakt om ontbossing tegen te gaan. Een doekje voor het bloeden?

Foto Albert Damanik/Bacrof Images

‘Hoor je dat?” Panut Hadisiswoyo (42) spitst zijn oren en wijst naar boven. Kwetterende vogels en het gezoem van cicaden stijgen op uit het groen aan de overkant van een smal beekje. Tot dan toe was de stilte aan deze zijde, waar de oprichter van het Orangutan Information Centre (IOC) met zijn voeten wegzakt in de modder, nauwelijks opgevallen. „Zie hier het verschil tussen tropisch regenwoud en een palmolieplantage”, zegt Panut met een tevreden grijns. „Leven.”

Daar aan de overkant van het beekje bevinden zich de eerste hectaren van restauratieproject van Gunung Leuser National Park; het tot Werelderfgoed benoemde regenwoud dat zich vanuit Noord-Sumatra uitstrekt naar Atjeh. Olifanten, tijgers, neushoorns en orang-oetans leven er nog samen in het wild. Met de nadruk op nóg. Het Leuser Ecosystem, waarbinnen het park valt, is een van de plekken die zwaar zijn getroffen door de illegale uitbreiding van palmolie- en rubberplantages. Vanaf de jaren 90 verdween meer dan 35.600 hectare aan tropisch regenwoud.

Een plek waar illegaal bos is gekapt. Foto Eva Oude Elferink

Panut, een man met een orang-oetan als WhatsApp-profielfoto, besteedt zijn dagen nu aan het terugdraaien van de tijd. Samen met de mensen van Leuser heeft zijn stichting zo’n 2.000 hectare aan illegaal aangelegde plantages in Noord-Sumatra omgehakt en opnieuw beplant met tropische bomen en flora. Zoals hier in Langkat, een district nabij Medan. Waar rijen en rijen aan illegale palmen stonden, schieten jonge bomen nu metershoog uit de grond.

Toen Panut en zijn collega’s zo’n tien jaar geleden begonnen, waren ze pioniers. Nu zijn door heel Indonesië meer dan veertig ‘hersteloperaties’ gaande, zoals het ministerie van Milieu en Bosbeheer het noemt. Vorig jaar kwam zo een miljoen hectare aan illegaal gekapt bos en verbrande veengrond weer in handen van parken als Leuser en Lore Lindu op Sulawesi. Cijfers waarmee het ministerie graag zwaait, al is het de helft van wat president Widodo tijdens zijn verkiezingscampagne beloofde.

Ook wereldwijd zijn er initiatieven, zoals de Bonn Challenge (150 miljoen hectare aan gedegradeerd land herstellen in 2020), waarvan woensdag een top in Palembang, Zuid-Sumatra begint. Notoire ontbossers als Brazilië en Congo hebben zich aangesloten, gastland Indonesië nog niet.

Een schrale troost, zeggen cynici. Dit is Indonesië: het land waar de afgelopen decennia in ongekend hard tempo tropisch regenwoud tegen de vlakte ging. Zo stellen onderzoekers van de University of Maryland aan de hand van satellietbeelden dat tussen 2002 en 2012 een gebied bijna zo groot als Ierland is gekapt. In de zomer van 2015 verdwenen grote delen van Kalimantan en Sumatra onder een verstikkende laag rook door aangestoken bosbranden. 2,6 miljoen hectare bos en veengrond ging in vlammen op, niet geheel toevallig op of in de buurt van palmolieplantages.

Tegen de honger naar palmolie valt door Panut en zijn collega’s niet op te planten. Niet in Indonesië, ’s werelds grootste exporteur van het goedje dat in shampoos, Nutella en margarine verdwijnt. Volgens Aidenvironment Asia, dat bedrijven adviseert over duurzame handel, is de voorbije decennia 10 procent van het landoppervlak onder palmolieproducenten verdeeld. Wie wil weten hoe dat eruitziet, hoeft op Kalimantan en Sumatra niet ver te zoeken. Weelderige jungle maakte plaats voor doodse eentonigheid.

Op de achtergrond: bos dat is hersteld. Foto Eva Oude Elferink

Sinds 2011 worden er geen nieuwe vergunningen meer uitgegeven voor land met oerbos of veen. Vorig jaar voegde Jokowi er een nieuw moratorium aan toe: ook in gebieden met een vergunning mag bos en veen niet worden vervangen door plantages. Milieuorganisaties wijzen erop dat dit verbod niets zegt over het kappen. En zoals de bosbranden in 2015 lieten zien, zijn regels en de werkelijkheid twee dingen. De palmindustrie staat intussen synoniem voor corruptie, schending van mensenrechten en vooral de illegale vernietiging van nóg meer tropisch woud.

Een rubberboom. Foto Eva Oude Elferink

Stap maar in de auto bij Panut. „Zie je die plantage? Van een hoge politiefunctionaris.” Na twintig minuten langs eindeloze palmen en rubberbomen: „Wat je net zag? Allemaal van Haji Anif.” De zakenman uit Medan, die een prominente rol speelde in de documentaire The Act of Killing over de communistenjachten van 1965, bezit een van de grootste palmoliebedrijven in de regio. Hier gebeurt alles ogenschijnlijk nog binnen de wettelijke lijntjes, rij verder en de echte kaalslag begint. Op de plek waar een massieve steen het begin van het nationaal park markeert, sijpelt rubber vanuit dunne bomen in plastic bakjes.

De grote dreiging voor Leuser zit nu in Atjeh, waar wordt gelobbyd om in en rond het park een geothermische energiecentrale en stuwdammen te mogen bouwen. In Sumatra gaat het juist de goede kant op. Door het opvoeren van patrol teams lijkt de illegale kap gestopt: al twee jaar is er geen beschermd bos meer verdwenen. In maart kwam er zelfs 75 hectare bij, afkomstig van 18 kleine palmolieboeren. Die vreesden het vooruitzicht van een rechtszaak over hun plantages in een nationaal park.

Kijken kan niet, te gevaarlijk. Laatst stonden er vijftig mensen voor de hut die het team van Panut daar heeft opgezet, ‘verhaal halen’ bij drie van zijn stafleden. De „landmaffia” noemt hij ze en haalt zijn schouders op. „Ze haten ons, omdat ze weten dat we ook achter hen zullen aangaan.”

Panut.
Foto Eva Oude Elferink
Op de linker foto: Panut

Atjeh

In het geval van Leuser speelt nog iets mee. In het park, omringd door hun eigen kleine plantages, wonen ook vluchtelingen uit Atjeh. In de laadbakken van vrachtwagens zijn ze hier naartoe gebracht toen de oorlog tussen de Beweging Vrij Atjeh en het Indonesische leger eind jaren negentig een bloedig hoogtepunt bereikte.

„Er was hier alleen hoog gras toen wij aankwamen”, zegt Muhadi (74), wiens gespierde armen afsteken tegen zijn gerimpelde gelaat. Het vuile werk, het kappen van bos, was al door Raja Garuda Mas gedaan; een bedrijf uit Medan dat het tropische hout gebruikte voor triplex en daarna een kale heuvel achterliet.

Het dorp waar vluchtelingen uit Atjeh wonen, midden in het National Park. Foto Eva Oude Elferink

Nu staan overal houten huizen, met huisnummers en al. Er is zelfs een schooltje. Omdat de ruim honderd families hier illegaal wonen, hebben ze geen recht op een identiteitskaart, zegt dorpshoofd Muhadi. En zonder identiteitskaart kunnen de kinderen niet naar school. Wat ze hier ook niet hebben: elektriciteit. Daar zou de overheid eens voor moeten zorgen, vindt Muhadi.

Dat ze eigenlijk in een nationaal park woonden, daar kwamen ze volgens hem pas veel later achter. De overheid heeft meermaals geprobeerd hen naar andere dorpen te verhuizen. Sommigen gingen daarop in, een deel kwam later weer terug. „Weggejaagd door de lokale bevolking”, is de versie van Muhadi.

Hij kreeg ook een aanbod, er werd hem zelfs een baan beloofd, zegt hij. Hoorde hij later nooit meer iets van. Nu woont hij hier al zestien jaar. Hij heeft wat rubberbomen, wat palmen. Nog een keer alles achterlaten en vanaf nul beginnen? „Nooit meer”, zegt Muhadi terwijl zijn ogen waterig worden.

Dorpshoofd Muhadi.
Foto Eva Oude Elferink.
Vrucht waar de olie van wordt gemaakt.
Foto Eva Oude Elferink
Links: dorpshoofd Muhadi. Rechts: vrucht waar de olie van wordt gemaakt.

Poep

Maar als het aan Panut en het Leuser National Park ligt, gaat dat wel gebeuren. Niet direct, er staan nog genoeg andere plekken op de lijst. En eerst moet de 75 hectare die ze laatst weer in handen hebben gekregen worden aangepakt.

In 2012 liep een soortgelijke confrontatie elders in het park nog uit de hand. Een kantoortje van Leuser ging in vlammen op. Politie en militairen waren aanwezig, maar mochten niet ingrijpen. „Orders van bovenaf”, zegt Ardi Andono (42), binnen Leuser verantwoordelijk voor de regio Sumatra. De palmolie mag dan uiteindelijk terecht komen bij grote conglomeraten, hier zitten toch vooral de kleinere palmolieboeren. Hen aanpakken ligt gevoelig bij de regering van Jokowi. De president groeide zelf op in een sloppenwijk en heeft zich altijd gepresenteerd als een man die opkomt voor het ‘gewone volk’.

In zijn kantoor, op zo’n twee uur rijden van het park, pakt Andono zijn mobiel er dus maar bij. Foto’s heeft hij genoeg. Van bulldozers die klaar staan, militairen ernaast, hijzelf met bijl in de hand. Dan: een horizon vol omgehakte palmen. Acht dagen zijn ze ermee bezig geweest, dertig man in totaal. Andono begint pas echt te stralen bij een foto van een enorme hoop poep. „Olifantenpoep!”, roept hij triomfantelijk. Olifanten, ze zitten er nog. Wacht maar, zegt Andono, tot hier straks weer een bos staat. „Een écht bos.”