Column

De huilgezichten van Feyenoord

Op de middenstip van de Kuip stond een merkwaardige, zwarte doos. Het deed me denken aan de hadj, de jaarlijkse bedevaart in Mekka waarbij pelgrims op een plein massaal talloze rondjes om eenzelfde zwart gevaarte moeten lopen.

Voor hun geloof, voor hun geluk.

Het stadion zat vol met Feyenoordfans. Ze wisten het van tevoren, ze zouden geen bal over het gras zien rollen. Ze kwamen voor het gezamenlijk kijken naar de zwarte doos waarop live-beelden te zien waren van de wedstrijd van hun club tegen Excelsior. ’s Avonds zou Feyenoord bovenop de doos gaan staan en de kampioensschaal laten zien.

Zo’n plan, dat is de goden verzoeken.

De dag voor de wedstrijd zat er een gemene gedachte in mijn hoofd. Ik woon vlakbij Excelsior-keeper Warner Hahn. Aardige kerel. Maar fatsoensnormen golden even niet. Moest ik – als geboren Feyenoorder – zaterdagnacht Hahn uit zijn slaap houden en om het uur aanbellen met een smoes.

„Warner, maar heb je misschien een kopje suiker voor me?”

„Sorry Warner, draai jij ’s nachts je haar ook in een elastiekje?”

„Warner, durf je morgen bij een penalty te blijven staan?”

Toch maar niet gedaan. Zelf wel heerlijk gedroomd over de wedstrijd. Ik droom al jaren over Feyenoord. Achttien jaar, om precies te zijn. Het gaat altijd uitstekend met de club in mijn dromen, ook als ik meespeel op het middenveld.

Op televisie zag ik af en toe beelden van de volle Kuip. Zenuwachtige gezichten tuurden naar de zwarte doos. Wie tikte met de toverstaf op de bovenkant? Niemand.

Genadeloos werd het opgeklopte optimisme afgestraft. Geplande huldigingen en droomscenario’s staan haaks op topsport. Daar gelden psychologische wetten waarmee niet te sollen valt. De videoschermen op die doos toonden het verschil tussen Excelsior en Feyenoord: een club die gewoon lekker voetbalde en een club die dácht aan lekker voetballen.

Mijn dochter lag tegen me aan toen ik naar het potje keek.

„Af en toe hoor ik je hart sneller kloppen. En je ademt vlug”, zei ze.

„Lijkt maar zo”, loog ik.

In de Kuip werd na afloop een supporter in beeld genomen. Een doorleefd mannenhoofd, haar achterover, worstenvingers voor het huilgezicht. Het leek een foto, zo lang bleef de man stil in zijn verdriet. Ik begreep hem: wat een club, dat Feyenoord. Het gevoel zit diep in je geworteld en het gaat er nooit meer uit.

En toch, toen het huilen me te lang duurde, dacht ik: ‘Kom op. Komende zondag nog een kans.’

Hoe het moet na die laatste wedstrijd?

Bij winst moet Feyenoord rondjes lopen over het veld en gaat de schaal van hand tot hand. Bij verlies ook rondjes lopen, zonder schaal. En net zo lang huilen tot bij ons allemaal de lach weer doorbreekt.

Zo is het altijd geweest, zo zal het altijd blijven.