‘WO I valt zomaar uit de lucht’

Commentaar

Scheidel meet ongelijkheid alleen af aan inkomen en vermogen. Dat is te beperkt, vindt Nico Wilterdink. Ook blijven de veranderende verhoudingen tussen kapitaal en arbeid onderbelicht.

Nico Wilterdink, emeritus hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam, vindt het boek van Walter Scheidel „indrukwekkend”. Toch is hij niet helemaal overtuigd. Wilterdink schreef in 2015 het boek Vermogensongelijkheid in Nederland, een geactualiseerde versie van zijn proefschrift uit 1984.

Wilterdink: „Scheidel is selectief in zijn kritiek op bronnen. Hij komt met enorm veel schattingen van ongelijkheid, uitgedrukt in exacte getallen. Maar hoe kom je aan een Gini-coëfficiënt in het Egypte van de farao’s? Soms geeft hij toe dat het nattevingerwerk is. Maar hij noemt schattingen alleen onbetrouwbaar als ze niet goed in zijn betoog passen.”

Wilterdink vindt het bezwaarlijk dat Scheidel ongelijkheid uitsluitend afmeet aan inkomens en vermogens, uitgedrukt in geldeenheden. „Materieel comfort, gezondheidskansen en andere welzijnsmaten worden niet uitputtend gedekt door in geld uitgedrukte inkomens en vermogens.”

In de Nieuwe Tijd zet een kentering volgens Scheidel pas in met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Daarvóór zou de ongelijkheid zijn toegenomen door de industrialisatie en vervolgens iets zijn afgevlakt. Volgens Wilterdink zet Scheidel het effect van WO I veel te zwaar aan. „Er zijn studies over Engeland waaruit blijkt dat de inkomensongelijkheid al vóór 1914 afnam. Die noemt hij ook, maar, zegt hij, er zijn anderen die ze bekritiseren.”

Ook de democratisering schrijft Scheidel helemaal toe aan de Eerste Wereldoorlog. Wilterdink vindt dat vreemd. „Daar ging een lang proces aan vooraf. In Nederland was de nieuwe grondwet van 1848 geen oorlogseffect, hoogstens een reactie op wat opstandjes. Vanaf ongeveer 1870 was er sprake van een gestage machtsvergroting van de lagere klassen ten opzichte van de hogere. Het kiesrecht werd uitgebreid, er ontstonden vakbonden, en er werden politieke partijen opgericht, echte massapartijen. De sociale kwestie werd opgeworpen, ook liberalen en conservatieven vonden dat daar wat aan gedaan moest worden. En dat gebeurde ook, door beperking van de arbeidstijd, het verbod op kinderarbeid, het begin van sociale wetgeving. In het Duitse Keizerrijk kwam Bismarck met zijn eerste sociale wetten.”

Dat Scheidel niet erkent dat de ongelijkheid al vóór 1914 afneemt, komt, zegt Wilterdink, omdat hij die niet kan afleiden uit de inkomens- en vermogenscijfers. „Maar je moet ook op andere dingen letten: sociale wetgeving, huisvesting, gezondheidszorg. Door de grootschalige industrialisatie groeide de vraag naar industrie-arbeid, waar moeilijk aan voldaan kon worden. En daarmee – een klassieke marxistische gedachte – namen de condities voor klassenstrijd toe. Als arbeiders gaan samenwerken in grote bedrijven zijn vakbonden makkelijker te organiseren. Daar komt bij dat er in de negentiende eeuw een sterke concurrentie was tussen staten om macht en autonomie. Daar hadden ze de arbeiders in eigen land voor nodig. WO I komt bij Scheidel uit de lucht vallen, terwijl daar een felle concurrentiestrijd tussen staten aan voorafgaat.”

Wilterdink vindt dat Scheidel te weinig oog heeft voor veranderende machtsverhoudingen.

„Zeker, de ongelijkheid neemt na 1980 weer toe, maar niet omdat het effect van de oorlog is uitgewerkt. Eerder door de veranderde machtsverhoudingen tussen kapitaal en arbeid, als gevolg van de globalisering.”