Interview

‘Praten over onszelf is niet iets wat we graag doen’

Maurice Brenninkmeijer

De familie Brenninkmeijer is met afstand de gulste gever aan goede doelen. Zwijgen was goud voor de rijkste familie van Nederland – tot nu.

Daar is-ie dan. Maurice Brenninkmeijer, topman van het familieconcern waartoe winkelketen C&A behoort. Ietwat onwennig, bedachtzaam sprekend en een tikkeltje ongemakkelijk. „Ik ben niet enorm geoefend in interviews”, verontschuldigt hij zich maar meteen.

Dit is een interview dat tot voor kort volstrekt onmogelijk was. Sinds 1841 koesterde de rijkste Nederlandse familie haar traditie van geslotenheid. Toenmalig C&A-topman Wolfgang Brenninkmeijer verwoordde het in de jaren zeventig zo: „Openheid is een teken van zwakte.”

Onder voorzitterschap van de 56-jarige Maurice Brenninkmeijer is het stilzwijgen doorbroken. Al is het onwennig. „Praten over onszelf is niet iets wat we graag doen. En over onze liefdadigheid praten we nog minder graag.”

Vorig jaar gaf hij het eerste interview ooit, in Duitsland aan weekblad Die Zeit. Dat was onvermijdelijk, legt hij uit in het kantoor van de familie aan de Zuidas in Amsterdam. Aanleiding was het onafhankelijk onderzoek dat de familie had laten doen naar onder meer de rol van C&A in het Derde Rijk. „Dat leverde feiten op die de familie schokten”, zegt hij. „Daarover moesten wij ons wel publiekelijk uiten in Duitsland.”

Dat de familie zich altijd low profile heeft gedragen, vindt volgens hem zijn oorsprong in de geschiedenis. De Brenninkmeijers die in de 19de eeuw naar het Friese Sneek verhuisden, waren Tuötten, handelsreizigers uit Westfalen. Met een ingeboren geslotenheid en onderlinge afstemming. „Dichtbij de grond en bij elkaar. Dat zijn de culturele redenen. Maar gaandeweg heeft de cultuur van low profile zichzelf versterkt. Het werd een beetje no profile. En dat in een wereld die juist steeds transparanter werd. Dat leidde tot een spanning die niet gezond is. Die spanning mag niet te groot worden. Dan word je krampachtig.”

Voordat het zover was dat Maurice Brenninkmeijer deze ochtend met een milde glimlach zijn hand uit stak en zich voorstelde, was er beraad geweest binnen de familie. Moesten ze dit wel doen? NRC had gevraagd om een interview over de filosofie achter hun filantropie.

Uit een inventarisatie van de krant blijkt dat de Brenninkmeijers zonder enige concurrentie de grootste filantropen van Nederland zijn. Dat vroeg om uitleg. Wie geeft er nu elk jaar honderd miljoen euro weg? En waarom bedrijven de Brenninkmeijers hun barmhartigheid in het verborgene?

Een besluit om na Duitsland ook voor het eerst in Nederland een interview te geven, is een familiezaak. Maurice regelt zoiets niet in zijn eentje. Hij is weliswaar sinds 2011 bestuursvoorzitter van Cofra Holding AG in het Zwitserse Zug, waarin alle zakelijke belangen zijn ondergebracht. Maar strategiebesluiten neemt de Sneekerkring. Dat is het overleg van de 58 familieleden die mede-eigenaar zijn van het wereldwijde concern.

Cofra wordt bestuurd als collectief?

„We ondernemen samen, hebben een constante dialoog met elkaar. Belangrijke besluiten nemen we, voor zover mogelijk en praktisch, gezamenlijk. Gestemd wordt er nooit, wij zoeken consensus. Soms is het gewoon die ene die in de hoek zit die het beste idee heeft.”

Dat u hier zit, is dus om de „ongezonde spanning” weg te nemen, om weer ‘profile’ te tonen?

„Wij willen graag toelichten waarom wij liefdadigheid bedrijven. Tegelijk realiseer ik mij dat dit ook een eerste kennismaking wordt van de lezer met de familie.”

De Brenninkmeijers zijn uitgewaaierd over de hele wereld. Hoe Nederlands is de familie nog?

„Clemens en August kwamen uit het dorp Mettingen, in het Duitse Westfalen. Zij hebben zich gecommitteerd aan Nederland toen ze C&A in 1841 oprichtten. De ingrediënten van de Nederlandse cultuur zijn we blijven koesteren. Alle eigenaren hebben een Nederlands paspoort. Jonge familieleden die mede-eigenaar willen worden, beginnen bij C&A in Amsterdam en moeten Nederlands leren. De meesten zijn niet in Nederland geboren. Zelfs voor hun ouders is Nederlands de tweede taal. Maar het Nederlands hoort bij onze traditie. Tijdens de vergaderingen van de Sneekerkring was het vroeger de voertaal. Nu niet meer. Ik span me altijd in om ook Nederlands te spreken. Maar de bedrijfstaal is Engels.”

En als de familie in de zomer traditioneel samenkomt in Mettingen?

„Dan is het alles door elkaar en ligt het eraan wie er toevallig is. Het is overigens iedere keer weer verbluffend hoeveel van ons in Brazilië hebben gewoond. En dan vliegt er gewoon Portugees rond. Maar Duits, Nederlands, Engels is het meest voorkomend.”

Hoe bent u er zes generaties in geslaagd om het uitdijende familiebedrijf bijeen te houden?

„Ik moet even denken aan de uitdrukking die in het Duits het mooist is: Erwerben, Vererben, Verderben. De eerste generatie schept, de tweede erft, de derde maakt het op. Zo gaat het vaak, maar ons bedrijf versplinterde niet omdat aandeelhouders hun aandelen rond hun 55ste, als ze met pensioen gaan, verkopen aan de holding. De aandelen zijn niet vererfbaar. De opbrengst van de aandelen uiteraard wel. Wie als jongeling het bedrijf in wil, moet zichzelf bewijzen. Op zijn voornaam, niet op zijn achternaam. Daarnaast is er de combinatie van een sterke cultuur, een sterke missie en het zakelijk succes. Als je een doel en missie hebt die belangrijk zijn, en die door iedereen gedeeld worden, dan kun je samenblijven. Dat is zes generaties gelukt.”

Veel familieleden zijn belijdend katholiek. Moet je dat ook zijn om te kunnen toetreden tot de groep eigenaren?

„Ja, we zien ons als katholieke ondernemers. Het geloof hoort bij onze gemeenschappelijke waarden. Het is altijd de insteek in gesprekken en afwegingen. Het hoort erbij. Vroeger was het vanzelfsprekend dat ook de vrouw van een ondernemer belijdend katholiek was. Tegenwoordig mag een ondernemer trouwen met iemand die niet-katholiek is. Maar het is wel handig als je ervoor zorgt dat huwelijk en Sneekerkring elkaar versterken en niet ondermijnen. Het zijn beide levenslange besluiten waarvan de verantwoordelijkheid niet elders kan liggen dan bij het individu zelf.”

Uw investeringsbedrijf Bregal Investments zegt niet te investeren in alcohol, tabak, wapens, porno, abortus, euthanasie of gokken. Dat komt voort uit uw geloof?

„Ja, er zijn natuurlijk allerlei andere overwegingen mogelijk om op zo’n manier zaken te doen. Maar voor ons is het geloof de basis van waaruit wij opereren. Geld maken uit zogenoemde sin industries – waaronder wij ook zwaar vervuilende industrieën rekenen – daar proberen we vanaf te blijven.”

En de werkomstandigheden in de landen waar C&A kleding laat maken? In 2013 kwamen duizend mensen om het leven toen de fabriek Rana Plana in Bangladesh instortte.

„We hebben een missie als Sneekerkring: To amaze our customers and be a force for good. Both in what we do and how we do it. In our businesses, our investments and our philanthropy. Goed doen, dat hebben wij vanaf dag één nagestreefd. Maar de betekenis van ‘goed doen’ verschuift. Het is een ongoing process voor ons, maar ook voor de maatschappij. Vroeger was het armen helpen. Maar inmiddels reikt die verantwoordelijkheid verder, tot de manier waarop je zaken doet. Dat je bijvoorbeeld zicht hebt op de risico’s in jouw productieproces.

„Rana Plaza produceerde niet voor ons. Maar een half jaar eerder vielen 117 doden bij een brand in de fabriek Tazreen, ook in Bangladesh, die wél voor ons werkte. Deze drama’s hadden vermeden kunnen worden met goed toezicht.

„Beide gebeurtenissen hebben ons geschokt en ons doen realiseren dat wij veel actiever moeten zijn met inspecties rondom arbeidsomstandigheden en veiligheid, en het transparanter maken van het productieproces. Daarom komen we met onze C&A Foundation op tegen kinderarbeid, steunen we betere werk- en leefomstandigheden en het produceren van biologische katoen. De kinderen die hun ouders bij Tazreen verloren, begeleiden wij financieel tot hun achttiende jaar. Daarnaast financieren wij bijvoorbeeld het verminderen van het brandgevaar in 5.000 kledingfabrieken.”

Het valt op dat de familie over dit liefdadigheidswerk opener is dan over hun andere filantropische activiteiten. Waarom?

„Er is een verschil tussen corporate giving en private philanthropy. Bij corporate giving willen we geen pluimen zoeken, maar dat mag gezien worden. Onze private filantropie doen we in stilte. Daarbij willen wij low profile blijven. Dan geldt de tekst van apostel Mattheüs: als je goed doet, laat dan je linkerhand niet weten wat je rechterhand doet. Dat past bij de filosofie achter onze filantropie. Dus praten we niet over bedragen en over de inhoud van dat liefdewerk. Zo was het vroeger, en zo is het nog. Daar komt bij dat het vaak persoonlijke initiatieven zijn van leden van de familie die hechten aan hun privacy.

„Ik wil niet weer met Bijbelse dingen aankomen, dan klinkt het zo zweverig, maar wij groeien op met de Bergrede en het verhaal van de barmhartige Samaritaan. Wie is je naaste? Dat is niet per se je buurman. Dat is diegene die je op je pad tegenkomt. De mensen in Bangladesh zijn onze naasten. Niet voor alle Nederlanders, maar wel voor ons. Wij zijn als familie daar heen gegaan om kleding te laten maken.

„De Bijbelteksten kleuren wel degelijk hoe wij daarnaar kijken. De katholieke sociale leer is voor ons belangrijk. Daar hoort rentmeesterschap bij. Zo zien we ook ons ondernemerschap. Ik bezit het bedrijf niet, ik heb een rol om het goed door te geven aan de volgende generatie. En het tekent ook onze filantropie.”

Ooit gaf C&A standaard tien procent van zijn jaarwinst weg, is dat nog zo?

„Nee, dat is iets uit de tijd dat het familiebedrijf kleiner en verbrokkeld was. Je had toen een zorgplicht voor je directe omgeving. Na de oorlog groeiden de winsten met de omvang van het concern en daarmee de mogelijkheden voor liefdadigheid. Er kwamen legaten bij. In 1951 is daarom Stichting Benevolentia in Nederland opgericht, en in het buitenland andere stichtingen. De financiële buffers die zo zijn ontstaan, zorgen ervoor dat de liefdadigheid niet meer afhankelijk is van het bedrijfsresultaat. Vroeger daalde het budget voor liefdadigheid als de winst omlaag ging. Nu niet meer.”

In 1995 is Porticus, een wereldwijde professionele organisatie opgericht. Waarom?

„Ooit was het voldoende om het netwerk van familie en relaties aan te spreken voor het verdelen van fondsen. Ze waren bijvoorbeeld actief in de kerk, onder meer als missionaris. Dus lag het voor de hand om daar geld aan te geven. Ondertussen ving de overheid steeds meer directe nood in eigen land op en groeiden de bedragen die wij doneerden. Omdat het groter en complexer werd, was een betere ‘ophanging’ nodig. Daarom hebben we Porticus opgericht.

„Wij zitten nu overal in de wereld en willen overal geven. Dat vraagt om specifieke kennis. Bij de aansturing is er overigens nog steeds engagement van familieleden. Neem duurzame energie. Familielid Marcel is daar inhoudelijk sterk in. Om hem heen zijn in Good Energies Foundation experts verzameld. Zo zijn er meer deelgebieden, allemaal om ons geld een zo groot mogelijke impact te laten hebben.”

Dit is een kennismaking, maar meteen ook een afscheid. U bent 56 en Brenninkmeijers stappen doorgaans uit het bedrijf als ze 55 zijn. Wat gaat u hierna doen?

„Veel interviews zal ik inderdaad niet meer geven. Ik ga nog dit jaar met pensioen, maar blijf betrokken. Het ligt voor de hand dat ik mij zal gaan bezighouden met liefdadigheid.”

C&A ontsloeg onlangs 230 mensen in België en Duitsland. In Nederland voerde personeel actie omdat er tien jaar geen loonsverhoging was. Met minder liefdadigheid had u ook de verhoging kunnen betalen.

„Liefdadigheid is geen belasting op de business, op het bedrijf. Als je het als bedrijf goed hebt gedaan, binnen de realiteit en de condities van de markt, dan blijft er winst over. Er is sprake van winst nadat investeringen in de business zijn gedaan. Slechts wat er daarna overblijft, kun je uitgeven. En vanuit wat er overblijft, wordt aan liefdadigheid gedaan. Om dat te kunnen blijven doen, moet het bedrijf dus wel overleven in een commerciële markt.

„Bij dat alles is het belangrijk om elkaar in de familie eraan te herinneren waar we het voor doen. Het gaat niet om mij of om ons. Het gaat om onze missie en onze inspiratie. Allemaal leuk en aardig als mensen zeggen: ‘Wat zijn die Brenninkmeijers geweldige filantropen’. Maar kijk liever naar de mensen in het veld die het werk doen. Katholieke zusters die de gezondheidszorg in Afrika overeind houden of die mevrouw die aan het hoofd van de AWAJ Foundation in Bangladesh daadwerkelijk de mensen helpt. Dat zijn pas helden.”