Recensie

Ontbloot van de mannelijke blik

Paula Modersohn-Becker

De Duitse schilderes Paula Modersohn-Becker werd maar 31 jaar. Veel werk van haar is vernietigd door de nazi’s. Waar woonde ze, hoe schilderde ze wellust en waarom ging ze vaak naar Parijs? Marie Darrieussecq zocht het uit.

‘Hier is ze geweest. Op aarde en in haar huis.’ Zo begint Marie Darrieussecq haar formidabele portret van de Duitse schilderes Paula Modersohn-Becker (1876-1907). Ze bezoekt het huis waar ze met haar echtgenoot Otto heeft gewoond, in de kunstenaarskolonie Worpswede, ten noordoosten van Bremen.

Die eerste zin heeft meteen iets magisch, we zijn getuige van een historische sensatie, ze staat op de plek waar de schilderes stond, ziet wat zij ooit zag. Een afgesloten, grijsgeverfde deur leidt naar boven, naar een verdieping waar ze zich spoken voorstelt. Als ze het huis uitloopt, ziet ze in haar verbeelding het echtpaar staan, ‘achter het raam van hun dodenhuis’. ‘Het gruwelijke gaat daar samen met het heerlijke’, schrijft ze, ‘sterven op je eenendertigste met nog een heel schildersleven voor je en een baby van achttien dagen oud.’

Het is een onorthodoxe manier om een biografische schets te beginnen. Tegelijkertijd betreden we het universum van Marie Darrieussecq (1969) zelf, een wereld waarin doden, geesten, verdwenen maar toch aanwezige mensen terugkerende spookverschijningen zijn. Aarde, geesten, baby, huis van de doden, die woorden op de eerste twee bladzijden van Hier zijn is heerlijk – het zijn Darrieussecqs kernbegrippen.

In Tom is dood (2007) deed een vertelster verslag van de dood van haar peuterzoontje. In White (2003) liet ze geesten aan het woord, die een verhaal vertellen over ijs en kou op Antarctica. Gelooft u in spoken? was de vraag die ze stelde in haar roman Le Pays (2005), over haar geboortestreek Baskenland. Ze gaf zelf het antwoord: ze gelooft erin naarmate haar angst en verdriet groter worden.

Lust en verleiding

Darrieussecq promoveerde op het genre van de autofictie, onderzocht hoe taal gebruikt kan worden om uit een persoonlijke crisis te komen. Samen met Virginie Despentes verklaarde ze te behoren tot de postfeministische generatie die een plek zou opeisen voor de vrouwelijke lusten.

Wie de literaire obsessies van Darrieussecq kent, ziet waarom Paula Becker haar boeide; ze schilderde aardse vrouwen, zonder opsmuk, baby’s en kinderen die op geen enkele manier schattig zijn weergegeven. Ze leefde voor haar kunst en werd heen en weer geslingerd tussen een zoektocht naar rust en de inspiratie van Parijs. Ze trouwde een oudere man, die ze af en toe verliet, en stierf jong aan een embolie na de geboorte van haar eerste kind.

In korte alinea’s en puntige zinnen, die aan Marguerite Duras doen denken, schetst Darrieussecq episoden uit Beckers leven en werk. Ze introduceert Otto Modersohn, een in die tijd bekende schilder en weduwnaar die elf jaar ouder is dan zij; haar beste vriendin, Clara Westhoff, die met Rainer Maria Rilke zal trouwen en het dorp Worpswede, een artiestenkolonie. Het is 1900 (‘de wereld is jong’), het jaar waarin Paula Becker de trein neemt van Bremen naar Parijs. Ze citeert regelmatig uit haar dagboek: Paula’s vader zet zijn dochter aan een baan te zoeken als gouvernante. Maar zij wil maar één ding: schilderen.

Rainer Maria Rilke doet de kunstenaarskolonie aan, er ontstaat een vriendschap met een erotische ondertoon. Als Rilke in Parijs woont, zoeken ze elkaar op. Paula trouwt Otto, Clara huwt Rilke, waarna de vriendschap eindigt.

De jonge kunstenares vlucht regelmatig naar Parijs, tegen de zin van haar echtgenoot, die klaagt dat ze te weinig aandacht heeft voor het huishouden. Darrieussecq verwoordt haar desillusie: haar verlangen met haar man te versmelten wordt niet bewaarheid. Híj komt weer tot leven dankzij de ‘jeugd, fantasie en inspiratie’ van zijn jonge vrouw, zíj leeft alleen voor het schilderen: ‘er is in mij geen plaats voor iets anders’. In 1906 verlaat Paula Otto en vertrekt naar Parijs, naar ze denkt, voorgoed. Maar Otto overtuigt haar ervan toch terug te komen. Tijdens haar leven verkoopt Paula Becker welgeteld drie schilderijen. Ze sterft in 1907, in een ‘onschuldig Duitsland’.

Echte vrouwen

Zo presenteert Darrieussecq ons het leven van Paula Becker, als waren het foto’s gemaakt op verschillende momenten van haar korte leven. Het gaat haar niet om het beschrijven van haar leven, maar om ‘ce que j’en perçois, un siècle après, une trace’, om de sporen die dat leven heeft achtergelaten.

Van meet af aan kiest Darrieussecq voor een vrouwelijk perspectief. ‘Vrouwen hebben geen naam, ze hebben een voornaam.’ Vrouwen moeten iets anders verzinnen om ‘er te zijn’ in de wereld, iets anders dat hun signatuur draagt. Paula Becker doet dat door volstrekt onorthodox te schilderen. Een moeder en kind, naakt, ‘niets zoetelijks, niets heiligs, niets erotisch: een ander soort wellust. Immens. Een andere kracht’. Bij Paula Becker ziet Darrieussecq ‘echte vrouwen’, naakte vrouwen, ‘ontbloot van de mannelijke blik’. Ze schildert ‘niet waar jonge meisjes over dromen, maar wat ze denken’.

De nazi’s vonden Paula Beckers werk ‘entartet’ en lieten een groot deel vernietigen. Wat overbleef werd bewaard in kelders van musea. Darrieussecq spoorde het op. Samen met conservatoren van het Musée d’Art Moderne de Paris stelde ze een overzicht samen, dat vorig jaar te zien was. Paula is als ‘een zeepbel’ tussen twee eeuwen. Ze schildert, ze leeft ‘comme un éclat’, wat ze achterlaat is die korte schittering.