Recensie

O jee, rabarber

Lente eind jaren zeventig. Ik hoef mijn ogen maar te sluiten om weer de achtertuin in te fietsen door de poort waarop mijn vader oranje, witte en groene bloemen heeft geschilderd. (De verf jammerlijk kaal daar waar ik mijn voorwiel altijd tegenaan knal.) De zon piept tussen de wolken door, ik haal mijn schooltas en regenpak onder de snelbinders vandaan en zie mijn opa zitten achter een kop koffie voor het doorzonraam.

Mijn moeder zit tegenover hem met spelden in haar mond. Ze naait een nieuwe ribfluwelen broek voor mij. Patroontje samen uitgezocht in de Knippie. Stof gekocht op de markt in Delft. Op de donkere eiken eettafel, tussen hen in, ligt een slordige stapel glanzendrode stengels. Aan de uiteinden priegelen nog stukjes heldergroen blad. Leuk, opa is er, denk ik. En daarna: O jee, nog meer rabarber.

Wij aten vroeger thuis heel vaak rabarber. Dat kwam doordat mijn opa de volkstuin van een vriend bestierde, en die vriend nogal veel rabarber had aangeplant. Als in: arealen vol. Aangezien bij mijn opa de hongerwinter nog vers in het geheugen zat – hij was binnenschipper en had aan wal niet alleen tien monden te voeden, maar ook nog eens die van een stuk of wat onderduikers op zijn schip – was het ondenkbaar dat iets eetbaars niet werd opgegeten. En dus fietste hij wekelijks met een vrachtje in zijn fietstas van Schipluiden naar Maassluis.

En dus woonde er van april tot juni min of meer permanent een schaal compote in onze koelkast. Ja, we aten het zo vaak dat het mij aan het einde van het seizoen de neus uit kwam. Weer een kwak van die groenige snot in de yoghurt. Terwijl mijn broer en zusje daar Roosvicee as usual in mochten. Want die lustten officieel geen rabarber. Nou ja, tenzij mijn moeder er een taart mee gebakken had. Dan waren ze er opeens dol op.

Die taart, toegegeven, was ook ontzettend lekker; een klassieke appeltaart maar dan met rabarber in plaats van appel. Maar die compote? Het probleem zat hem niet alleen in de overvloedigheid ervan. Het zat hem ook in het custardpoeder waarmee hij gebonden werd en waarvan hij ronduit slijmerig werd. Nee, laat ik de jaren van mijn jeugd niet idealiseren. De gewoonte destijds om alles wat van nature enigszins vloeibaar was te binden met zetmeel is er eentje die we kunnen missen als kiespijn.

In theorie zou een mens van zulke ervaringen anti-rabarber kunnen worden. Maar niets is minder waar. Ik verheug me elk jaar nog steeds op de eerste stengels. Misschien juist wel omdat ze me aan m’n opa doen denken. Afgelopen week kocht ik een bundeltje om mee te experimenteren. Daar hoort u nog over. Voor vandaag maken we hier een ouderwetse compote. Maar dan zonder custard. En met wat mijn opa waarschijnlijk zou noemen: malle smaken.