Column

Amerikaans roofdier? Vlucht in het groen!

Op Spitsbergen waren ze met z’n allen, deze week. De topmannen en topvrouwen van Nederlandse bedrijven aanschouwden met eigen ogen hoe de klimaatverandering het poolgebied aantast. Daar kun je meesmuilend over doen: moet je zo nodig daar naartoe om overtuigd te worden? Wat kost dat wel niet? Is de plotse groene overtuiging eigenlijk niet een sluwe marketingtruc: ‘groen doen’, omdat dat imago in smaak valt bij de consument?

De tegenvraag is: doet dat ter zake? Milieu- en klimaatbewustzijn is in onze kapitalistische samenleving misschien wel veel sterker, en duurzamer, als het vanuit commerciële motieven wordt beleden. Want dat gaat wellicht langer mee dan ideële beweegredenen. Mits ze oprecht zijn, geen pose.

Hoe dan ook: we zien de opkomst van wat al ‘groen rechts’ wordt genoemd – vermoedelijk in de zin van ‘niet noodzakelijk links’. Je hoeft niet meer per se tegen de consumptiemaatschappij te zijn om milieubewust te worden. Recycling, cradle to cradle, met gebruik van duurzame energie kan ook. In een wereld waar 1,4 miljard Chinezen, 1,3 miljard Indiërs en straks een half miljard Nigerianen óók die auto en airco willen, is dat wellicht een realistischer uitgangspunt dan vriendelijk vragen of al die nieuwkomers op de wereldmarkt van ons hoge consumptiepeil zouden willen afzien.

Nu ligt het voor de hand dat het vergroenen van de onderneming op de korte termijn ten koste kan gaan van de winstgevendheid, die op de lange termijn meer dan goedgemaakt wordt. De vraag wordt dan: krijgen ondernemingen daar de tijd voor? Worden ze lang genoeg met rust gelaten om die transitie te kunnen maken? Het is in dit licht dat de overnamepogingen van Unilever door Kraft-Heinz en die van Akzo door PPG kunnen worden gezien. Want wat doe je als je dreigt te worden gekocht door een concurrent die de door jou gekoesterde vergroening weinig kan schelen? Die ziet alleen een winstgevendheid die nu suboptimaal is, en makkelijk kan worden opgekrikt.

Beide belagers zijn (deels) Amerikaans. En zo openbaart zich een cultureel verschil, dat er onder de Amerikaanse president Trump vermoedelijk niet kleiner op zal worden. In een wereld met open grenzen voor kapitaal wordt dat verschil voor je het weet weg-gearbitreerd en opgeheven in het voordeel van degene met de minste scrupules.

In die zin heeft de toenemende weerstand tegen dit soort overnames veel weg van de weerzin tegen het vrijhandelsverdrag TTIP tussen de EU en de Verenigde Staten. Naarmate meer handelsbarrières zijn afgebroken, worden de resterende op te ruimen obstakels steeds cultureel gevoeliger: normen voor voedselveiligheid en gezondheid, genetische manipulatie, arbeidsvoorwaarden, diervriendelijkheid. Allemaal zaken waarover aan weerskanten van de oceaan soms verschillend wordt gedacht. Of dat nu zin of onzin is.

Nu is TTIP op sterven na dood, als het dat vóór de verkiezing van president Trump al niet was. Het vrije verkeer van kapitaal is dat gelukkig niet. Maar naarmate de weerstand tegen buitenlandse overnames cultureler wordt, dringt hij door in het politieke domein.

Bedrijven die niet overgenomen willen worden, weten nu dat een beroep op de groene strategie, die door de belager teniet dreigt te worden gedaan, een succesvolle verdediging kan worden. Regeringen hebben een nieuw argument om zich te verzetten tegen de koop van hun nationale kampioen. En het publiek? Daarvoor wordt het onderscheid tussen een bedrijf dat ‘groen is’ en een dat alleen maar ‘groen doet’ alleen maar moeilijker om te maken.