Recensie

700 stille getuigen van Nederlandse conflicten

Oorlog voeren is menselijk, en van alle tijden. De eerste vitrine benadrukt dat al meteen, op de tentoonstelling Opgegraven strijd, Archeologie van de oorlog. Naast elkaar liggen speerpunten uit het Romeinse fort bij Alphen aan de Rijn, fragmenten van een gesprongen zestiende-eeuws kanon uit Schiedam, gespen van Franse soldaten uit een kamp bij Zeist tijdens de Bataafse Republiek, én het staartwiel van een bij Boxmeer neergehaalde Hurricane jager uit de Tweede Wereldoorlog.

Het is op de valreep, want deze tentoonstelling loopt nog maar t/m 14 mei. Maar ze is zeker de moeite waard. 700 objecten geven een boeiend en rijk beeld over het onderwerp.

Het is de eerste keer dat in Nederland een tentoonstelling is gewijd aan wat wel conflict-archeologie wordt genoemd. Lange tijd hebben de archeologen hier zich verre gehouden van de studie van oorlog en geweld.

In de jaren vijftig, zestig en zeventig ging de aandacht vooral uit naar de vreedzame kanten van samenlevingen, dus naar het dagelijks leven van prehistorische jagers en boeren, kolonisten en vroege stedelingen. Mogelijk een onbewust gevolg van de ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog, denken de samenstellers, archeoloog en tentoonstellingsmaker Evert van Ginkel en archeoloog Arjen Bosman. Bosman was betrokken bij de opgraving van het Romeinse fort bij Velsen en houdt zich nu bezig met militair erfgoed. Samen met historicus Jona Lendering schreef Bosma ook De rand van het Rijk. De Romeinen en de Lage Landen (2015).

De laatste dertig jaar zijn Nederlandse archeologen zich steeds meer gaan bezighouden met in de grond verborgen sporen van (modern) geweld. Dat komt door invloed uit het buitenland (de VS, Frankrijk, België, Duitsland en Groot-Brittannië) en de opkomst van de metaaldetector. Een grote rol speelt ook de ontdekking in 1987 in Wassenaar van een circa 4.000 jaar oud graf met twaalf skeletten van mannen, vrouwen en kinderen die zichtbaar door geweld waren omgekomen. Die vondst, in zijn geheel op de tentoonstelling te zien, deed Nederland beseffen dat de prehistorie niet geweldloos was.

De makers gaan ook in op de vraag wat conflict-archeologie toevoegt aan onze kennis. De prehistorische moordpartij bij Wassenaar, die in verband is gebracht met veeroof, zou zonder archeologie nooit in de geschiedenisboeken zijn terechtgekomen. Maar voor moderne tijden gaat het eerder om het toevoegen van kleine verhalen aan de Grote Geschiedenis, het vastleggen van menselijk handelen in bijzondere omstandigheden en de omgang met objecten. Britse soldaten die in Tilburg bivakkeerden hadden de gewoonte hun lege blikjes corned beef in elkaar te stapelen, de Luftwaffe gebruikte betonnen bommen om op aardwerken die schepen of andere doelen moesten voorstellen bombardementen te oefenen. En piloot Leslie Henson kraste in schoonschrift zijn naam in een container met voedsel die in april 1945 boven hongerend Nederland werd afgeworpen. Een in 2010 gevonden klewang met een beschadiging door een kogel of een granaatscherf, vertelt zonder woorden een verhaal over de invloed van het Indische verleden, de hang naar traditie bij militairen, de gebrekkige bewapening van het Nederlandse leger en het verzet tegen Duitse parachutisten op militair vliegveld Valkenburg. Een luizenkam, een flesje Bokma en kopjes geven een glimp van het dagelijks leven in een onderduikhol bij Anloo; granaatscherven en hulzen van een Mauserkarabijn verhalen van de noodlottige afloop.

Intussen richten de archeologen hun blik ook op sporen na de Tweede Wereldoorlog. Op de verlaten kazerne van Ede vonden ze een object dat getuigt van de Koude Oorlog en een veranderende tijdgeest: een schietschijf met de graffititekst ‘DESERTEER!’.