Recensie

Vaarwel vroom poppenspel

Stefan van Dierendonck

In de nieuwe, tintelende roman van deze zwartgallige schrijver valt een jonge priester in Rome van zijn geloof. Dat alles in een soms blijmoedige, dan weer vilein-ironische stijl.

De schrijver met misschien wel de meest zwartgallige reputatie van de Nederlandse literatuur liet zich in een vraaggesprek met een tijdschrift eens doodleuk ontvallen dat hij het heerlijk vond om er te zijn. Het was alleen zaak, zo legde hij uit, om dat leven op schrift zo hard mogelijk in de soep te laten lopen.

Of het allemaal levensgenieters zijn is maar de vraag, maar in aangepaste vorm zie je dat procedé van de levensvergalling bij bijna elke schrijver terug. En al eeuwenlang: eerst introduceer je een personage op zo’n doortrapte manier dat de lezer hem aan het hart drukt (of tenminste begrijpt) en daarna duw je hem zonder blikken of blozen voor een – ik noem maar wat – toevallig passerende maïskneuzer. De horror! Een andere schrijver vertrouwde ooit zijn enige schrijfwet aan mij toe: in een verhaal moest iets verkéérd gaan.

Om de eenvoudige reden dat het anders niet werkt. Stel je het tegenovergestelde maar eens voor: personage is eerst stokongelukkig, maar slaagt er steeds beter in om gelukkig te worden. Einde verhaal. Zoiets pikt niemand! Terwijl er toch echt zat mensen zijn, in het echte leven, die hun aanwezigheid met een toenemend genoegen ervaren.

Geluk of hoop laat zich prima verpesten op papier, maar vangen laat het zich maar moeilijk. Heel soms lukt het ineens. Zoals bij Stefan van Dierendonck (1972), die in zijn tweede roman het verhaal vertelt van een priester in opleiding die eind jaren negentig in nota bene Rome van zijn geloof valt. ‘Worstelt’ hij er mee, zoals het in christelijke kringen vaak heet? Niet bepaald. Al in de eerste hoofdstukken, als de jongen nog maar net in de eeuwige stad is gearriveerd, is de toon lyrisch en baldadig – een toon die parallel loopt met de opgewekte gemoedstoestand van de priester. De stad past hem als een handschoen, zo blijkt, hij wentelt zich er in rond alsof hij nooit iets anders deed dan flaneren en (heel goede) kopjes koffie drinken. De bevrijding is compleet met de introductie van Arianna, een uit een film van Fellini weggelopen schone.

Dat zij zijn taaldocente is, die hem laat toetreden tot het Italiaans, is geen toeval. Wat Van Dierendonck expliciet duidelijk maakt is dat het voor een groot deel de taal – of beter, een taal – is die de perceptie vormt. Met het onder de knie krijgen van het Italiaans gaat de jonge priester Rome ook daadwerkelijk in de goede woorden ‘zien’: de gebouwen, de cultuur, ze openen zich voor hem omdat hij eerst via de taal een stap in hún richting zette.

Iets wonderlijks

Naast een tintelende roman is En het sneeuwde in Rome dus óók meteen een pleidooi voor het leren van vreemde talen. Als Arianna belt lezen we: ‘Met mijn hoofd in het kussen, mijn linkerhand aan mijn oor en mijn rechterhand op mijn naakte dijbeen lag ik te luisteren naar haar stem. Als je de taal niet helemaal machtig bent, gebeurt er iets wonderlijks met je geest. Dan voel je de nieuwe verbindingen in je hoofd als groeipijn, zoals na een heftige work-out met gewichten; dan voel je het bloed pompen naar lichaamsdelen die voorheen te rusten lagen, die eens kalm en vredig vegeteerden, maar nu tot leven komen. Het groeide in mijn hoofd; iets groeide er in mijn hoofd, en het was geen tumor.’

Wat knap dat Van Dierendonck, die met zijn debuut En het regende brood (2013) destijds al meteen op de longlist van de Libris Literatuurprijs belandde, zo’n blijmoedig sentiment heeft weten te pakken zonder nostalgisch of sentimenteel te worden. Een andere keer hanteert hij een licht-vileine ironie om het ‘vrome poppenspel’ vaarwel te zeggen. ‘Het urbi et orbi zou die avond niet klinken, en dat was prima. Ik knikte enkel, zoals ik als kind had geleerd van mijn oma, bij het voorbijgaan van elke kerk of kapel. Een simpele hoofdknik naar de Verborgen Heer, die alles ziet en die nooit te beroerd is om even onmerkbaar terug te knikken. Groetjes stuurde ik op Hem af. De groeten.’