In zijn ruïne in de Franse Dordogne komt Piet Hein Eeks hoofd tot rust

De lol van een ruïne is dat het kapot is, vindt ontwerper Piet Hein Eek. „Dan kun je het weer opbouwen.” Tien jaar lang verbouwde hij een oude molen in Frankrijk tot een familiehuis. „Mijn vrouw kreeg er slapeloze nachten van.”

Foto Hans Heus

In 2006 werd ontwerper Piet Hein Eek verliefd. Op een ruïne in de Franse Dordogne. Met zijn vrouw en drie dochters logeerde hij in een kasteel in Mavaleix. Kasteelheer Willem liet hem in het dal een oude watermolen met bijgebouwen zien. Eek: „Sinds mijn jeugd ben ik gefascineerd door ruïnes. Met mijn vader ging ik naar Engeland en dan bezochten we er tien tot vijftien per dag. Gekkenwerk, maar ik vond het prachtig.”

De lol van een ruïne is dat het kapot is

Toen hij bij Le Moulin de las Combas (de molen) en Le Four (de oven) stond, kreeg hij een bezitterig gevoel: „Ik wil dit hebben, dacht ik. En toen heb ik het voor veel te veel geld gekocht. Maar ik heb er ook meer voor teruggekregen dan ik had verwacht.” De lol van een ruïne is dat het kapot is, zegt hij. Je kunt fantaseren over hoe het gebouw er ooit uitzag en hoe je het kunt opbouwen. „Verleden en toekomst zitten in één gebouw, dat vind ik mooi.” De restauratie van de molen, waar Eek bijna tien jaar mee bezig is geweest, heeft hem inzicht gegeven in zijn denkwijze en ontwerpfilosofie. „Ik had er altijd moeite mee dat mijn werk in de recyclehoek werd geplaatst. Je moet gewoon iets duurzaams maken, wat niet gesloopt hoeft te worden, en met respect omgaan met grondstoffen en middelen. Dat deed ik met de molen en zo ontwerp ik ook.”

Le Moulin is nu een familiehuis. De stenen waarmee het huis is opgebouwd, komen allemaal van de plek zelf: uit de grond, de rivier en de ruïne. De meubels zijn gemaakt van hout uit het bos. Vier tot vijf keer per jaar gaat de familie Eek erheen, samen, apart, met de kinderen of vrienden.

Zijn hoofd komt er tot rust, zijn lijf niet. „Ik kan niet goed stilzitten, ben hier altijd buiten, stenen sjouwen, metselen, koken, eten halen op de markt, wandelen. Met een vriend zoekt hij paddestoelen, dan kijken ze op internet of ze giftig zijn. „Dat is spannend.” Daarna maken ze omelet met paddestoelen of pasta met zwammen.

„Het leven hier is heel fysiek. Van het metselen krijg ik pijn in mijn rug, maar na een paar dagen is dat over. Eigenlijk zijn we hier de hele dag aan het klooien. De kinderen maakten vroeger fikkies waar ze pannenkoeken op bakten. Het beslag zat vol brokken. Van kapotgeslagen suikerklontjes maakten ze poedersuiker. Niet erg lekker, maar we aten alles op.”

Zowel qua tijd als qua geld heeft hij flink moeten investeren – „een bodemloze put”. Alles wat mis kon gaan – geen bouwvergunning, belazerd worden – ging mis. „Mijn vrouw had er slapeloze nachten van, maar ik heb genoten van het proces. Van mij hoeft niet alles goed te gaan, dan is het leven te makkelijk.”