Column

Het wachthuisje

Marcel

Tegenover mijn huis staat een bakstenen gebouwtje dat in het laatste jaar van de Tweede Wereldoorlog dienst deed als wachthuisje. Ik wist dat eerst niet, omdat de bloemist die het gebruikt als opslag voor onder andere zijn Johan Cruijff-tuinkabouters op de toegangsdeur een bordje met ‘hoogspanning’ heeft gespijkerd waardoor ik lang dacht dat het een elektriciteitshuisje was.

Ik kwam er een paar jaar geleden achter door een stukje in de Echo, een huis-aan-huis-blad. Een historicus uit de buurt, een man met een indrukwekkend aantal voorletters, schreef dat er toen dagelijks twee bewapende Duitse soldaten te vinden waren. Ze mochten het huisje niet uit, maar keken wel de hele dag door de spleten in het beton om te zien of de bevrijders er al aankwamen. In dat geval moesten ze bellen naar ‘het hoofdkwartier’, er stond verder niet vermeld waar of dat was en hoe of het met ze afliep. Wel dat er dagelijks een ‘gamel’ soep en brood gebracht werd en dat buurtbewoners ondanks hun honger niet durfden aan te kloppen voor wat eten. Het prikkelde de fantasie.

Twee Duitsers die de hele dag naar buiten keken en soep etend zaten te wachten op de komst van wat voor hen toch de vijand was. Ik voelde me aangetrokken tot het gebouwtje, zoals ik me vroeger ook aangetrokken voelde tot de bunkers langs de IJssel tussen Velp en Rheden waarin ook niets te zien was.

Omdat ik regelmatig naar de bloemenman zwaai – hij zwaait nooit terug – ging ik een paar maanden geleden naar hem toe met de vraag of ik alsjeblieft even binnen mocht kijken. Hij had dat liever niet, maar ik stond al binnen.

Ik geloof dat ik heel goed irritant aanwezig kan zijn, alleen besef ik dat meestal pas achteraf. Vaak is het dan al te laat. Hij wees naar het bordje dat hij op de toegangsdeur had gehangen en zei dat dat camouflage was.

„Zo houd ik de nieuwsgierigen weg.”

Terwijl ik ‘hahaha’ en ‘dat is natuurlijk zo’ zei, stootte ik me na het inspecteren van een witte muur, waarin ik even een ingekerfde boodschap dacht te zien, aan een stellage waarna er wat emmers met bloemen op de grond vielen. Net als mijn vader, die ik ooit heel schaapachtig zijn schouders zag ophalen nadat hij kort daarvoor in het gemeentehuis van Rheden een karretje met minimaal vijftig volle koffiekopjes had omgestoten, heb ik moeite mezelf een houding te geven na zo’n ongelukje.

„Kan gebeuren”, zei ik, terwijl ik me bukte om de snijbloemen op te rapen.

„Laat maar” en „kom alsjeblieft niet terug”, zei de bloemenman zichtbaar geërgerd. Sindsdien blijf ik net als de mensen vroeger liever op afstand van het wachthuisje.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.