Recensie

Het verdriet van Wippelgem

Luc De Vos (1962-2014)

Deze Vlaamse cultheld was zanger, componist, schrijver en tv-joker. Zijn biograaf duidt behalve de bonvivant ook de gemankeerde mens Luc De Vos.

Luc De Vos Foto Alex Vanhee

Met zijn hit ‘Mia’, zijn band Gorki, zijn televisieoptredens, columns en boeken was Luc De Vos een fenomeen in Vlaanderen. Zijn onverwachte overlijden in 2014 bracht stad en land in rouw. Leon Verdonschot ontleedt in Vos de vreemde persoonlijkheid van deze Vlaamse volksheld.

Opmerkelijk was het wel, een Nederlandse biograaf die het Vlaamse fenomeen mocht duiden. Veel Vlaamser dan De Vos en zijn band Gorki kwamen ze de afgelopen jaren bijna niet voor. Toen de zanger, componist, columnist, schrijver en Bekende Vlaming (1962-2014) onverwacht overleed, waren Gent, zijn geboorteplaats Wippelgem en daar achteraan heel Vlaanderen in shock.

Tijdens zijn leven wist De Vos knap een schild op te trekken. In zijn ziel liet hij zich niet kijken, te persoonlijke vragen tijdens interviews werden met een grap weggepraat. In zijn liedteksten was hij kwetsbaar, maar altijd met een vreemde twist. Beginnen met zware, melancholieke problematiek en dan naadloos overgaan naar de afwas of een wellustige jongeling die Bartje, Johnny of Eddie heette. Op het podium werd dat gepresenteerd in een iets te rommelige, ruige, rock ’n roll-variant. Op televisie werd hij ingezet als joker, met grapjes die zijn manager ‘paljasserij’ doopte, gemengd met een soort gespeelde verlegenheid, echte nederigheid, gestotter en zelfspot.

En dan waren er nog veel columns en niet altijd geslaagde romans die hij zelf bij voorbaat al neerhaalde door te stellen dat hij ze schreef ‘tussen de soep en de patatten door’. Anderen zeiden dat in Gorki’s teksten Louis Paul Boon en Herman Brusselmans de popmuziek binnenkwamen en in deze krant werd zijn laatste roman Paddenkoppenland (2014) nog geroemd als een ‘speels huwelijk tussen lichtheid en ernst’.

Misschien was Vos, zoals hij in de volksmond werd genoemd, zo bekend dat er geen Vlaming te vinden was die met enige afstand over hem kon schrijven. De Nederlandse journalist en Gorki-fan Leon Verdonschot (1973) sprak vrienden en familie, trok naar Gent en Wippelgem en bestudeerde de dertien dozen archief die bij de zanger in huis stonden. En zo ferm als Verdonschot als columnist uit de hoek kan komen, zo teder ontfermt hij zich hier over het levensverhaal van Luc De Vos.

Vos wordt als nakomertje geboren in het gehucht Wippelgem, vijftien kilometer boven Gent. Zijn vader is van vóór de Eerste Wereldoorlog en het gezin De Vos is van de oude stempel; moeder moet haar man overhalen een toilet te laten aansluiten en een televisie te kopen. Boven de schouw hangt de spreuk ‘Doe Stille Voort’. Luc is de jonge prins in dat gezin. Een status die hem zo bevalt dat hij, ook na zijn doorbraak met Gorki, tot zijn dertigste bij zijn moeder in huis blijft wonen.

Liederlijke katholiek

Opgroeien in dat Wippelgemse isolement zorgt ervoor dat De Vos erg belezen is en tegelijkertijd zeer fantasierijk en lui. Een liederlijke katholiek, liefhebber van Reve, dol op drank en goed eten. Altijd op zoek naar verbondenheid en liefde, maar onmachtig om een vrouw normaal aan te spreken of relaties goed te onderhouden. Zijn leven lang zoekt hij mensen die beslissingen voor hem nemen.

Dat hij ondanks deze tekortkomingen toch zo bekend en geliefd wordt, dankt hij aan dat opmerkelijke talent om mooie teksten te schrijven en aan zijn innemende persoonlijkheid. Met een uitgebreide beschrijving van zijn jeugd, talrijke anekdotes en vele vrienden die over hem vertellen weet Verdonschot dat vreemde karakter als een ui te pellen.

Net wanneer je denkt dat zodoende alle magie van De Vos als persoonlijkheid verdwijnt, komt de biografie in een stroomversnelling. In de laatste hoofdstukken gaat het over zijn laatste twee levensjaren. Drankgebruik wordt een probleem, hij zwelgt in zelfmedelijden en zijn gemoedstoestand is zeer wisselvallig. Terwijl in de rest van het boek alle eigenaardigheden van De Vos met zachte hand door vrienden worden vergoelijkt, wordt de toon nu harder. Het is een vreemde wending die het mysterie terugbrengt.

Maar die hardere toon wordt weer gesmoord in de epiloog waarin vrienden en familie herinneringen ophalen. Een ‘parade van anekdotes en typeringen’, zoals Verdonschot in zijn eerste hoofdstuk schrijft, als hij aangeeft dat deze bij de begrafenis van De Vos juist niet aan bod kwamen. Het zijn typische wendingen, al maken ze de biografie niet minder geslaagd. Vos krijgt het boek dat hij verdient, een boek dat ook buiten Vlaanderen – en voor een ieder die De Vos en diens werk niet kent – op een mooie manier duidelijk maakt waarom dat verdriet in Gent, Wippelgem en Vlaanderen zo groot was.