Twee hoogleraren reageren op Walter Scheidel

Commentaren

Hoogleraren Jan Luiten van Zanden (Universiteit Utrecht) en Nico Wilterdink (emeritus Universiteit van Amsterdam) vinden het boek van Walter Scheidel indrukwekkend en sterk. Maar soms is hij te makkelijk, zeggen zij in twee uitgebreide reacties.

Moord en doodslag in de Middeleeuwen. Tekening uit Engels apocalyptisch manuscript, ca. 1270

‘Ik begon te lezen en was meteen onder de indruk”, zegt Jan Luiten van Zanden, faculteitshoogleraar economische en sociale geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Hij had van Walter Scheidel – ze kennen elkaar – begin dit jaar een exemplaar van zijn nieuwste boek opgestuurd gekregen. Van Zanden vindt de these – een radicale afname van ongelijkheid is er in de geschiedenis alleen gekomen na massaal geweld – sterk. „Hij zet die overtuigend neer, met een indrukwekkende hoeveelheid literatuur.”

Dat Scheidel gehakt maakt van alternatieve verklaringen voor afnemende ongelijkheid vindt Van Zanden fascinerend. „We dachten in de jaren zestig en zeventig dat er in de moderne samenleving een natuurlijke tendens bestaat naar meer gelijkheid. Nu leven we in precies de tegenovergestelde wereld, waar we er, mede dankzij de Franse econoom Thomas Piketty, van overtuigd zijn geraakt dat er een natuurlijke tendens is richting ongelijkheid.”

Na de Koude Oorlog

Van Zanden heeft vooral één bezwaar. „Scheidel gaat niet goed in op het feit dat we er in delen van de wereld, bijvoorbeeld een groot deel van Europa, in zijn geslaagd om vrij lang na de Tweede Wereldoorlog tamelijk egalitaire verhoudingen in stand te houden. Geweld speelde daarbij geen rol. Tot de jaren 70 of 80 kun je nog zeggen dat dit deels een effect was van de Koude Oorlog, toen de elites hier bang waren voor de communisten en dus wel moesten toegeven, maar sindsdien is de Muur gevallen en hebben we de globalisering gehad. De algemene tendens is nu naar grotere ongelijkheid, maar een flink aantal staten is er toch in geslaagd om dat niet uit de hand te laten lopen. En niet alleen in Europa. Het Aziatische groeimodel heeft de afgelopen veertig jaar in landen als Taiwan en Korea niet geleid tot een vergelijkbare explosie van ongelijkheid als in de Verenigde Staten en China.”

Van Zanden vindt verder dat Scheidel democratisering te veel reduceert tot een oorlogseffect. „Daarmee miskent hij de diepe wortels van democratie. Die bestonden al in de 19de eeuw, onder tamelijk vreedzame verhoudingen. Oorlog werkt in op een samenleving omdat die al op een bepaald spoor zit en dat proces wordt daardoor versneld. Het is belangrijk dat er in die samenleving al ideeën leven om zich in die richting te ontwikkelen. Scheidel ziet oorlog als een externe schok die vanzelfsprekend deze effecten heeft, maar dat is helemaal niet zo. De napoleontische oorlogen hadden die effecten niet. En de Dertigjarige Oorlog ook niet. Scheidels enige voorbeeld is Athene. Maar dat is ondenkbaar zonder het Atheense denken over democratie. De ideologische dimensie ontbreekt in het boek en in die zin is Scheidels analytische schema te beperkt.”

Ondanks het in veel gevallen „verpletterende” bewijsmateriaal van Scheidel, zijn er volgens Van Zanden redenen om niet in cynisme te vervallen. „Een aantal West-Europese landen laat zien dat je op basis van goed burgerschap wel degelijk een relatief stabiele samenleving kunt hebben met een lage ongelijkheid. En daar moet je zorgvuldig mee omgaan. Scheidel dwingt je hier veel beter over na te denken.”

Van Zanden noemt het positief dat het thema ongelijkheid weer op de agenda staat. „Het neo-liberale idee dat ongelijkheid alleen maar productief is en leidt tot sterkere prikkels en harder werken, waar we allemaal beter van worden, die ideologische veren zijn we geleidelijk aan het afschudden.”

Niet helemaal overtuigd

Nico Wilterdink, emeritus hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam, vindt het boek van Walter Scheidel „indrukwekkend”. Toch is hij niet helemaal overtuigd. Wilterdink schreef in 2015 het boek Vermogensongelijkheid in Nederland, een geactualiseerde versie van zijn proefschrift uit 1984.

Wilterdink: „Scheidel is selectief in zijn kritiek op bronnen. Hij komt met enorm veel schattingen van ongelijkheid, uitgedrukt in exacte getallen. Maar hoe kom je aan een Gini-coëfficiënt in het Egypte van de farao’s? Soms geeft hij toe dat het nattevingerwerk is. Maar hij noemt schattingen alleen onbetrouwbaar als ze niet goed in zijn betoog passen.”

Wilterdink vindt het bezwaarlijk dat Scheidel ongelijkheid uitsluitend afmeet aan inkomens en vermogens, uitgedrukt in geldeenheden. „Materieel comfort, gezondheidskansen en andere welzijnsmaten worden niet uitputtend gedekt door in geld uitgedrukte inkomens en vermogens.”

In de Nieuwe Tijd zet een kentering volgens Scheidel pas in met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Daarvóór zou de ongelijkheid zijn toegenomen door de industrialisatie en vervolgens iets zijn afgevlakt. Volgens Wilterdink zet Scheidel het effect van WO I veel te zwaar aan. „Er zijn studies over Engeland waaruit blijkt dat de inkomensongelijkheid al vóór 1914 afnam. Die noemt hij ook, maar, zegt hij, er zijn anderen die ze bekritiseren.”

Ook de democratisering schrijft Scheidel helemaal toe aan de Eerste Wereldoorlog. Wilterdink vindt dat vreemd. „Daar ging een lang proces aan vooraf. In Nederland was de nieuwe grondwet van 1848 geen oorlogseffect, hoogstens een reactie op wat opstandjes. Vanaf ongeveer 1870 was er sprake van een gestage machtsvergroting van de lagere klassen ten opzichte van de hogere. Het kiesrecht werd uitgebreid, er ontstonden vakbonden, en er werden politieke partijen opgericht, echte massapartijen. De sociale kwestie werd opgeworpen, ook liberalen en conservatieven vonden dat daar wat aan gedaan moest worden. En dat gebeurde ook, door beperking van de arbeidstijd, het verbod op kinderarbeid, het begin van sociale wetgeving. In het Duitse Keizerrijk kwam Bismarck met zijn eerste sociale wetten.”

WO I komt uit de lucht vallen

Dat Scheidel niet erkent dat de ongelijkheid al vóór 1914 afneemt, komt, zegt Wilterdink, omdat hij die niet kan afleiden uit de inkomens- en vermogenscijfers. „Maar je moet ook op andere dingen letten: sociale wetgeving, huisvesting, gezondheidszorg. Door de grootschalige industrialisatie groeide de vraag naar industrie-arbeid, waar moeilijk aan voldaan kon worden. En daarmee – een klassieke marxistische gedachte – namen de condities voor klassenstrijd toe. Als arbeiders gaan samenwerken in grote bedrijven zijn vakbonden makkelijker te organiseren. Daar komt bij dat er in de negentiende eeuw een sterke concurrentie was tussen staten om macht en autonomie. Daar hadden ze de arbeiders in eigen land voor nodig. WO I komt bij Scheidel uit de lucht vallen, terwijl daar een felle concurrentiestrijd tussen staten aan voorafgaat.”

Wilterdink vindt dat Scheidel te weinig oog heeft voor veranderende machtsverhoudingen.

„Zeker, de ongelijkheid neemt na 1980 weer toe, maar niet omdat het effect van de oorlog is uitgewerkt. Eerder door de veranderde machtsverhoudingen tussen kapitaal en arbeid, als gevolg van de globalisering.”