Eetfabels uit de oorlog

In het Verzetsmuseum in Amsterdam is een tentoonstelling over de Tweede Wereldoorlog met een opmerkelijke boodschap: tot aan de Hongerwinter at men in de oorlog gezonder dan vóór de oorlog. Is dat waar? Dat was even zoeken, maar ik ben er uit.

De eerste vraag gaat over de kwantiteit, dus of men vóór de oorlog te veel at en in de oorlog een gezonde hoeveelheid. Historicus Gerard Trienekens zei zoiets in zijn proefschrift uit 1985. Volgens hem aten de vooroorlogse volwassenen meer dan 3.000 kilocalorieën (kcal) per dag terwijl ze hooguit 2.500 kcal verbrandden. Ze hielden dus dagelijks 500 kcal over en daar zouden ze aardig dik van zijn geworden, maar die 2.500 kcal klopt niet. Dat is wat een man verbrandt die niets anders doet dan zitten, autorijden en tv kijken. Een man die fietst en sport verbruikt minstens 3.000 kcal en een vooroorlogse arbeider verbrandde nog meer. Van 3.000 kcal eten per dag kon hij dus nooit dik worden. Maar dat is theorie; hebben we de gewichten van de mensen uit die tijd?

Wel van kinderen. Amsterdamse schoolkinderen hadden in 1935-1940 een ideaal gewicht en aten dus niks te veel. Voor volwassenen kon ik geen cijfers vinden, maar ik vond wel cijfers over diabetes; dat zegt indirect iets over hoeveel vetzucht er was. Mensen met aanleg voor diabetes type 2 krijgen die ziekte namelijk pas als ze te dik zijn. In 1999 had één op de vijftig Nederlanders diabetes, in 2014 één op de twintig en dat komt door onze vetzuchtepidemie. In de jaren 30 van de vorige eeuw had hoogstens een op de tweehonderd Nederlanders diabetes. Daarom kunnen volwassenen aan het begin van de oorlog nooit massaal dik zijn geweest.

Voor de oorlog at men dus niet te veel. En in de oorlog? Een arbeider had toen nog steeds 3.000 kcal per dag nodig en misschien meer, want men moest meer lopen en sjouwen. Maar hij kreeg in 1941 nog maar 2.500 kcal per dag binnen en in 1943 2.200. Dat blijkt uit enquêtes bij honderden gezinnen waarvan de huisvrouw een week lang alles wat het gezin at, woog en opschreef. Ze zal wel eens iets vergeten hebben, bijvoorbeeld voedsel van de zwarte markt, maar intussen vermagerde men wel. Het beste weten we dat weer bij de kinderen: in maart 1944 – ruim voor de Hongerwinter – waren Amsterdamse dertienjarigen drie kilo lichter en twee centimeter korter dan dertienjarigen vóór de oorlog, en toen waren ze al niet dik. Dat wijst op voedingstekorten, al speelden kinderziekten zoals difterie en roodvonk mogelijk ook een rol.

In 1999 had één op de vijftig Nederlanders diabetes, in 2014 één op de twintig en dat komt door onze vetzuchtepidemie.

De hoeveelheid eten was dus in de oorlog te weinig. En de samenstelling? Die was ook niet ideaal. Het voedsel bestond grotendeels uit groenten, bonen, brood, melk en heel veel aardappelen. Vooral plantaardig dus. U denkt misschien dat plantaardig eten alles bevat wat een mens nodig heeft, maar dat is een mythe. Meer groenten en bonen in plaats van vlees is goed voor de lijn en voor het klimaat, maar een voeding totaal zonder vlees, vis, zuivel of eieren leidt op den duur tot tekorten. Planten bevatten bijvoorbeeld geen vitamine B12. Een tekort aan B12 tast op den duur de hersenen aan, vooral bij kinderen; dat gebeurde in de jaren ’70, toen sekteleider Adelbert Nelissen ouders er toe overhaalde om hun kleine kinderen volledig macrobiotisch-veganistisch te voeden. Die kinderen raakten ondervoed en ze hebben dat nooit meer ingehaald; als tieners hadden ze nog steeds slechter functionerende hersenen.

Plantaardig eten is ook arm aan andere voedingsstoffen, waaronder jodium, vitamine D en calcium. Tijdens de oorlog werd er daarom jodium meegebakken in het brood, kinderen kregen zo nu en dan vitamine D pillen (levertraan was er niet meer) en zoveel mogelijk melk. Of ze tekorten aan vitamine B12 hadden weten we niet, B12 werd pas later ontdekt.

Het plantaardige eten leidde tot nog andere problemen. Groenten bevatten weinig calorieën, daardoor hadden de mensen honger en dus waren ze doorlopend aan het knauwen, bijvoorbeeld op wortels. De beroemde chirurg Boerema moest in Groningen zo nu en dan patiënten opereren bij wie het eten van grote hoeveelheden plantaardig voedsel had geresulteerd in een voedselbal die de darm afsloot. Hij sneed dan de buik open, pakte de darm inclusief de voedselbal vast, wreef de kluit wortelen, snijbonen of appel fijn en duwde die door naar onderen, ‘waarna spoedig herstel volgde’.

De voeding was tijdens de eerste vier jaar van de oorlog dus krap en onvolwaardig. Tot aan de Hongerwinter van 1944-1945 heerste er echter geen hongersnood. Dat was vooral te danken aan het onvermoeibare hoofd van de landelijke voedselvoorziening, Ir. Stephanus Louwes en zijn mensen, die hemel en aarde bewogen om zoveel mogelijk voedsel te bemachtigen en eerlijk te verdelen. Louwes verdient daarvoor een standbeeld. Maar ondanks zijn inspanningen was het eten in oorlogstijd karig, eenzijdig, onsmakelijk en niet echt gezond. Mocht u desondanks trek hebben in tulpenbollensoep, dan kunt u tot eind mei terecht in het Verzetsmuseum.