Recensie

Een huis-tuin-en-keuken-wonder

Processielust in Amsterdam

Ontstaan, verval en herstel van de wonder-

hostiecultus is het thema van een rijk boek. Nadruk ligt op de stille omgang in Amsterdam. Soms namen er zo’n 60.000 mensen aan deel.

Bedevaart in de Kalverstraat ter herdenking van het Mirakel van Amsterdam. Foto Evert Elzinga / ANP

Als er een liga van wonderen zou bestaan, zou het een wondertje uit de eerste divisie zijn. Mijn vrome tante Marie die met handtasje, zakdoek en flesje eau de cologne de hele miraculeuze roomse santenkraam afliep, hoorde ik er nooit over; en mijn vader was er evenmin erg door begeesterd, terwijl het wonder juist de door hem zo diep vereerde heilige hostie betrof, die hij tot zijn laatste inname, precies zoals de paus en God het naar hij zeker wist wilden, wankelend van eerbied op de tong ontving.

En toch was het Amsterdamse mirakel een trekpleister in de tijd van religieuze roomse overvloed waarin zij volwassen waren. Busladingen mannen in slobberige zondagse pakken uit de provincie trokken er jaarlijks naar toe. Rozenkrans in de ene en zakje door moeder de vrouw gesmeerde krentenbollen in de andere hand waren zij helemaal klaar voor het godswonder rond de paar broeierige straten die de hoofdstad rijk was. Ze liepen de zogeheten stille omgang ter ere van een huis-tuin-en-keuken-wonder dat niet kon wedijveren met Lourdes of Fátima en zelfs niet met het Mariaheiligdom Kevelaer vlak over de grens.

Maar waarom eigenlijk deden ze dat, in de hoogtij-jaren zelfs met 60.000 tot 70.000 man tegelijk? Een avondje vrij van het echtelijke doorsnee-geluk – want de vrouwen liepen overdag en werden tot diep in de jaren zestig van de nachtelijke bedevaart geweerd – zal de processielust gesterkt hebben, en ook de kans op een potje bier in de kroeg en op een blik op de onbetamelijke hoofdstedelijke Maria Magdalena’s. Maar verder? Bestond er zoiets als een interne en een aangemaakte, externe motivatie, die aan mijn in geloofszaken veeleisende tante en vader wat minder besteed was?

Het zijn vragen waarop Het Mirakel van Amsterdam. Biografie van een betwiste devotie, het nieuwe en definitieve boek van twee kenners van het Amsterdamse mirakel, een antwoord moet geven. Spiritualiteitshistoricus Charles Caspers en etnoloog Peter Jan Margry houden zich al een wetenschappelijk publicitair leven lang bezig met nationale bedevaarten en vooral met de Amsterdamse tocht. Het heeft geleid tot een rijk boek dat hier en daar ontsierd wordt door vaktaal over ‘het symbolische potentieel’ en ‘rituele constructies’. Maar wie voorbij de incidentele academische heiligdommigheid leest kan er veel in vinden over het ontstaan, het verval en het herstel van de wonderhostiecultus.

Hagelwit

Het boek begint bij het mirakel uit 1345. Een stervenszieke man braakt een gewijde hostie uit, die vervolgens naar kerkelijk voorschrift in het vuur geworpen wordt en die de volgende ochtend hagelwit uit de as wordt gevist. Ontegenzeggelijk een gebeurtenis van bescheiden bovennatuurlijke orde. De kerk weet er raad mee en neemt de wonderhostie op in de traditie van de jaarlijkse sacramentprocessies, bouwt een kapel op de wonderplek, de heilige stede, en buit het handjevol genezingen ter plaatse de komende eeuwen ten volle uit. De stad Amsterdam maakt er op zijn beurt goede sier mee ter versterking van zijn imago.

Wanneer de hoofdstad in 1578 tot de Opstand en het protestantisme over gaat, breken zogezegd de magere eeuwen aan: ‘heiligschenners doen hun gevoeg’ in de kapelhaard waar ooit de wonderhostie lag te blinken, geuzen spugen en pissen erin, en de wonderhostie wordt gedegradeerd tot roomse ‘broodgod’. Ze gaat ondergronds. Wat overigens niet betekent dat de cultus een volledig kwijnend bestaan leidt.

In deze tijd wordt de basis gelegd voor de promotie van de zwijgende omloop van gelovigen die er vanaf het begin is geweest, en die met name eind negentiende eeuw opnieuw wordt uitgevonden. Maar ook dan mag het geen processie worden, want er heerst in het papenbange vaderland een processieverbod. Vandaar dat de roomsen – zoals ze al eeuwen gewend waren – van de nood een deugd maakten, en vandaar dat het een stille omgang bleef.

Maar stil of niet, de revitalisering van de wonderhostiecultus viel samen met de opkomst van een triomferend zelfvoldaan katholicisme, dat een park aanlegde om devoot te marcheren ter herinnering aan de moord op de heilige Bonifatius, dat idolaat was van de martelaren van Gorcum, en dat overal neo-gotische kerktorens bouwde, die het rechtgeaarde vaderland angst inboezemden alsof het minaretten waren.

De auteurs schrijven dat de katholieken zich lange tijd hebben geschikt in ‘een cultuur van ‘‘repressieve tolerantie” die al in de zeventiende eeuw een aanvang nam’. Ze spreken van ‘een accommodatiekatholicisme’, en analyseren aldus – met behulp van het vocabulaire van achtereenvolgens de neo-marxistische filosofie die overal opzet en strategie ziet en van de oorlogsgeschiedschrijving – de brave huisvaders van de omgang. Het is wat aan de dikke kant, maar onzin is het niet.

Toen de processie die geen processie mocht zijn in 1881 nieuw leven werd ingeblazen was er een oorlog gaande, een cultuuroorlog wel te verstaan: tussen paaps en orthodox protestants, tussen paaps en vrijzinnig protestants en tussen paaps en algemeen beschaafd Nederlands. En waar oorlog is, wordt er in tactiek gedacht. Zo bezien was de stille omgang een massa-manifestatie van rooms machtsvertoon.

En de reden van het hart om eenmaal per jaar op bedevaart naar Amsterdam te gaan. Wat was die? De auteurs hebben het over een ‘puriteinse ingetogenheid als zelfopgelegde norm’, over een ‘infiltration calviniste’ onder de katholieken. De suggestie wordt gewekt dat de gelovigen innig tevreden zwijgend hun jaarlijkse tocht liepen, dat een sobere geloofsbeleving als het ware hun religieuze tweede huid was geworden. Alle andere uitzinnige geloofspraktijken – van het jaarlijkse inpandige kerkelijke onthaal van het beeld van Christus Koning als een soort opperfarao tot en met deelname aan buitenlandse sprong- en huppelprocessies – laten zich echter niet zomaar rijmen met een gelukzalige beleving van een stille geloofstocht. Gelovigen als mijn tante en vader wilden, als het even kon, knielen, kruipen, hardop bidden en zingen, al was het maar om de godheid in de hemel bij de les te houden. Lourdes, Fátima en zelfs Kevelaer was goud, de mirakeltocht was in het beste geval brons.