Dromen van het Land van Ooit

Feyenoord

Het aanstaande kampioenschap van Feyenoord wordt het eerste dat een hele generatie bewust meemaakt. Zo ook journalist en Feyenoord-supporter Mark Lievisse Adriaanse (23). „De esthetisering van de pijn moet nu ophouden.”

Mark Lievisse Adriaanse, auteur van het artikel, als 5-jarige op de arm van de Argentijnse spits in het kampioensteam van Feyenoord in 1999, Julio Ricardo Cruz.

We reden ergens op de weg tussen Drunen en Gorinchem toen mijn moeder de autoradio wat harder zette. Ik zat op de achterbank, op een kinderzitje – vijf jaar oud was ik. Die dag waren we in het Land van Ooit geweest.

Feyenoord, hoorde ik vanaf de achterbank de omroeper zeggen, was landskampioen geworden. Het moet het nieuws van vijf uur geweest zijn, op SkyRadio, want mijn moeder luisterde in die jaren altijd SkyRadio. In de Kuip was het 2-2 geworden tegen NAC. Een matig resultaat, maar niettemin grootse vreugde: Feyenoord won de eerste landstitel sinds 1993.

Achttien jaar heb ik gedroomd van de plek waar ik ooit zou staan: de Coolsingel, om landskampioen Feyenoord toe te juichen. Dit weekend moet het gebeuren, en anders desnoods volgende week tegen Heracles Almelo. De eerste landstitel sinds 1999.

Sinds 2000 kom ik in de Kuip. Eerst ging ik af en toe, daarna steeds vaker, de laatste jaren altijd, en naar niks verlang ik zo erg als naar de landstitel. De schier oneindige, en vaak onmogelijke, jacht op de schaal heeft mijn jeugd als Feyenoorder getekend. Ik zag Feyenoord honderden wedstrijden spelen, in De Kuip en het grandioze Old Trafford in Manchester, maar ook in Emmen en op een Alpenveldje in Oostenrijk, waar de club oefenwedstrijden speelde. Honderden spelers zag ik voetballen. Robin van Persie, Dirk Kuyt, Graziano Pelle. Maar ook: Jonas Kolkka, Jhonny van Beukering en Philippe Leonard, de Belgische linksback die naar eigen zeggen moeite had met rechtsbuitens. Maar nooit zag ik Feyenoord kampioen worden.

Ongeduld

Waarom is het verlangen naar de titel zo groot? Deels is het verlangen naar iets groots en onbekends, zoals een tiener smacht naar zijn eerste zoen. Deels ook is het ongeduld: toen mijn vader zo oud was als ik nu (23), had hij Feyenoord de Europa Cup 1 zien winnen, de Wereldbeker, de UEFA Cup, en tal van kampioenschappen. Ik wil ook weleens wat meer dan twee KNVB-bekers (2008 en 2016) en een UEFA Cup (2002) die ik me amper meer kan herinneren.

Maar veel meer dan een generationele afrekening of vervulling van het onbekende, komt het verlangen dat miljoenen Feyenoorders hebben, jong en oud, door alles wat er tussen 1999 en nu is gebeurd. Wie wil begrijpen waarom het Legioen zo naar de titel snakt, en waarom het feest op de Coolsingel straks zo groot zal zijn, moet terug naar 24 oktober 2010. Die dag verloor Feyenoord met 10-0 van PSV, de grootste nederlaag in de clubgeschiedenis. Ik zat niet in het Philips Stadion die dag. Mijn vader wel en toen hij thuiskwam vielen we elkaar huilend in de armen. Sindsdien praten we niet meer over die traumatische wedstrijd.

PSV-Feyenoord, 10-0:

De 10-0 is symbool voor alles wat er misging bij Feyenoord tussen 1999 en nu. Een paar dagen na de nederlaag was de club praktisch failliet, gevolg van jarenlang financieel wanbeleid. Al jaren had Feyenoord niet meer meegedaan om het landskampioenschap. Er was altijd de hoop, de brandstof van het Feyenoord-hart, maar verwachtingen? Die werden met het jaar minder.

In de eerste jaren na 1999 begon de eerste training van het nieuwe seizoen standaard met een verwachtingsvol gezang naar de nieuwe trainer. „We worden kampioen!”, klonk het dan. Later werden de nieuwe trainers niet meer toegezongen. Iedereen wist wel beter: de titel was iets van de vorige eeuw.

Het waren seizoenen dat de club niks in te brengen had in de titelstrijd, vaak al ruim voor de winterstop wist je dat het weer niet zou lukken. ‘Tussenjaren’, werden dat genoemd, of ‘overbruggingsseizoenen’. Wat er precies overbrugd moest worden en hoe lang het zou duren, dat wist niemand. In de woestijn van de prijsloosheid gaf niemand richting naar de vooruitgang.

Jankend van de tribune

Er waren meer vernederingen dan de 10-0. Oorvijgen van FC Groningen, thuis (0-4) en uit (6-0). Uitschakelingen in de KNVB-beker tegen Go Ahead Eagles, twee keer zelfs. Nederlagen tegen het nietige De Graafschap, zoals in januari 2011. Stefan de Vrij liep jankend van het veld en wij evenzo van de tribune. Er waren Europese uitschakelingen tegen onbeduidende Oost-Europese clubs als Rapid Boekarest en Koeban Krasnodar. Er waren legio miskopen, met als dieptepunt het aantrekken van Jhonny van Beukering. Een tamelijk gezette spits (bijnaam: Jhonny van de Burger King) met een verleden bij clubs als Go Ahead Eagles, Vitesse en De Graafschap. Niet echt de gedroomde opvolger van Julio Ricardo Cruz, de kampioensspits van ’99.

Toen Van Beukering in de 67ste minuut van Feyenoord – Excelsior op 12 december 2010 (een krappe 1-0 overwinning) in het veld kwam, maakte ik een foto. Want ik wist: dieper dan dit zouden we niet zinken. Toen hij even later een sprintje trok, maakte het Legioen het geluid van een sputterend brommertje. Wind tegen, zei trainer Mario Been na de wedstrijd cynisch over de tergende traagheid van de spits. Niet dat ik Van Beukering iets verwijt, of al die andere miskopen. Maar ze hadden niks bij Feyenoord te zoeken.

De sprint van Van Beukering:

Het verlangen naar een landstitel groeide met elke vernedering, met elke miskoop, met elk verloren seizoen. Hoe verder weg het kampioenschap, hoe groter het verlangen. Hoe groter de pijn van wéér een mislukt seizoen, hoe groter de hoop ook dat het ooit beter zou worden. Evenredig met het verlangen groeiden ook de toeschouwersaantallen. Juist in de jaren dat het slecht ging, kwamen er meer mensen naar De Kuip.

Liefde voor een voetbalclub is irrationeel, wist de Argentijnse dichter Jorge Luis Borges al toen hij ooit schreef dat voetbal populair is „omdat stupiditeit populair is”. Een bewuste, afgewogen keuze voor het Feyenoorderschap heb ik nooit gemaakt. Het grote Feyenoordlogo schijnt één van de eerste dingen te zijn die ik na mijn geboorte zag, op het shirt van mijn vader.

Hoe kan Feyenoord ervoor zorgen dat het niet weer achttien jaar duurt? Belangrijk is denk dat we het lijden niet te veel cultiveren. Ja, er zijn veel teleurstellingen en ja, die maken het feest nu zo groot. Maar het lijden moet geen essentieel onderdeel zijn van de clubcultuur, zoals nu soms lijkt te gebeuren. Feyenoord wordt echt niet vaker kampioen van uitspraken als „Feyenoord is als het leven. Op het moment dat je denkt ‘nu ben ik gelukkig’ slaat het ongeluk toe” (Ronald Giphart laatst in NRC), of „Feyenoorder ben je niet voor je lol” (Gerard Cox, ooit). Naar de Coolsingel wil ik, zo vaak mogelijk, en niet zwijmelen van de poëtische lijdzaamheid.

Pijn verheerlijken

Als Feyenoord vaker kampioen wil worden, moet de cultuur waarin nederlagen en vernederingen gecultiveerd worden radicaal worden afgewezen. Weg met de esthetisering van de pijn. Winnen op één, altijd. Slim investeren, zeker als deze zomer de Champions League-miljoenen binnenstromen. Niet weer dezelfde fouten maken als in het verleden, toen elke periode van financiële en sportieve overvloed rap werd opgevolgd door eentje van schaarste, dankzij falende bestuurders.

Zondag ga ik niet naar het Land van Ooit, dat is al jaren dicht. Een kaartje voor de wedstrijd op Woudestein, het kleinste stadion van Nederland en de plek waar de grootste club van het land kampioen wil worden, heb ik niet – het is al maanden uitverkocht. Met mijn vrienden, van wie sommigen de titel van 1999 bewust meemaakten, maar die de meesten enkel kennen van YouTube-filmpjes, zal ik ergens in Rotterdam de wedstrijd kijken.

Als we dan over een paar dagen op de Coolsingel staan, zal ik wegdromen, denkend aan het loopje van Jhonny van Beukering. Aan die keren dat ik als kind met tranen in mijn ogen De Kuip uit liep na nederlagen tegen Ajax, maar ook de nietige tegenstanders. Aan de schaamte die ik op de maandagochtend na de 10-0 voelde, toen ik mijn middelbare school binnenliep. Maar vooral: aan de ondraaglijke last van achttien titelloze jaren die nu van ons Feyenoorders af valt.