Column

De melancholie van Michaelis

Gepubliceerde dagboeken – het is een hachelijk genre. De schrijver kan gemakkelijk frauderen. Belastende feiten worden weggelaten ten bate van een geïdealiseerd zelfbeeld. Dagboeken worden aantrekkelijker naarmate de schrijver meer tot reële introspectie en liefst tot zelfkritiek bereid is.

Dat maakt de oorlogsdagboeken van dichteres Hanny Michaelis zo interessant. Het tweede deel is verschenen: De wereld waar ik buiten sta. Een pil van 1.000 pagina’s die ik nog niet helemaal heb gelezen, maar waar ik al wel naar hartelust in gegrasduind heb – ook daar leent het genre zich goed voor.

Ik ken weinig schrijvers die zichzelf zo genadeloos ontleden als Hanny Michaelis. Haar zelfkritiek strekte zich ook uit tot haar dagboek, constateerde bezorger Nop Maas in zijn inleiding bij het eerste deel, Lenteloos voorjaar. Deze zelfkritiek grensde aan zelfhaat en was het gevolg van een groot minderwaardigheidscomplex – een begrip dat ze regelmatig op zichzelf toepaste.

Nadat ze verliefd in de armen van haar tijdelijke en veel oudere minnaar Anthonie Donker had gelegen, schrijft ze in februari 1942: „Het doet me soms mijn minderwaardigheidscomplex vergeten, maar het neemt hem niet weg. Ik merk nu wel heel duidelijk, dat dergelijke verschijnselen niets of heel weinig met uiterlijke omstandigheden te doen hebben, maar dat ze helemaal binnen jezelf ontstaan en voortwoekeren en dat hun oorsprong in je eigen karakter wortelt. Als ik een schoonheid zou zijn met een fabelachtig succes in de liefde, zou ik evengoed een minderwaardigheidscomplex hebben gehad, alleen had ik er misschien wat minder onder geleden.”

Twee jaar later schrijft ze dat ze weinig vertrouwen meer heeft in haar dichterlijke talenten. De gedachte dat ze „ook hierin een mislukking” zou zijn, is ondraaglijk voor haar. Alleen literaire prestaties kunnen haar leven nog de moeite waard maken. „Meer en meer krijg ik namelijk het gevoel, dat ik een van de vele ‘alleenstaande’ of ‘loslopende’ vrouwen zal worden. Niet omdat ik nu zo bijzonder lelijk ben, maar omdat er na deze oorlog zo weinig mannen zullen zijn, dat alleen mooie en attractieve vrouwen ‘aan bod’ zullen komen, zodat de onopvallende, niet bijzonder aantrekkelijke meisjes overschieten.”

Een van die mannen zal Gerard Reve worden. Zijn naam wordt in dit tweede deel alleen terloops genoemd. Zij trouwden in 1948. Gerard had haar wel over zijn homoseksuele neigingen ingelicht, maar zij nam dat niet zo serieus, schreef Nop Maas in zijn uitvoerige Reve-biografie. Wel herinnerde zij zich later dat hij „de daad” nogal klinisch kon benaderen door haar toe te voegen: „Maak het onderlijf maar bloot.”

Gelukkig kon Hanny veel van hem hebben. Als hij op de deur bonsde met de uitroep „Aufmachen! Deutsche Polizei!”, moest ze hartelijk lachen.

Wat mij in haar dagboeken opvalt, en wat ze met Gerard gemeen moet hebben gehad, is een diep gevoelde melancholie. Ze beschrijft op 15 november 1943 hoe ze opziet tegen elke nieuwe verjaardag „door een plotselinge wanhopige verknochtheid aan het voorbije levensjaar en de onberedeneerde angst dat de verwachtingen die al jarenlang in me hunkeren naar vervulling, ook in het voor me liggende jaar teniet zullen worden gedaan”.

Die angst zou niet zo vreemd blijken.