De laatste olie uit de Noordzee

Olie

De dagen van de Noordzeeolie zijn geteld. De ontmanteling is begonnen met het spectaculaire transport van platform Brent Delta. Aan de sloop valt komende jaren nog goed te verdienen.

Foto Allseas

Brent. Een van de grootste olievelden in de Noordzee. Naamgever van de belangrijkste internationale standaard voor ruwe olie. En synoniem met een milieuschandaal uit 1995, toen eigenaar Shell het afgeschreven reservoir Brent Spar in de oceaan wilde afzinken.

En nu, na ruim dertig jaar productie van olie en gas, is het Brentveld nagenoeg leeg en wordt het ontmanteld. Van de vier hoofdinstallaties – Brent Alpha, Bravo, Charlie en Delta – pompt alleen Charlie nog. Platform Delta werd al in 2011 uit bedrijf genomen en was, na jaren voorbereiding, vorige week als eerste aan de beurt.

Als je de Eiffeltoren ernaast op de zeebodem zou zetten, komt de top net boven water. Brent Delta bestaat uit een betonnen sokkel van zestig meter hoog, waarin zich voorraadtanks bevinden, met daarop drie betonnen poten van honderd meter lengte. Daar weer op een 44 meter hoge stalen constructie met de boor-, pomp- en andere machinerie plus de verblijven voor het personeel.

Die 24.000 ton wegende opbouw is deze week door een speciaal voor dit doel gebouwd hefschip van zijn drie poten getild en vervoerd naar een werf in de Engelse havenstad Hartlepool. Woensdag werd het gevaarte daar op de wal gezet, waar het wordt gesloopt en gerecycled.

Dat de platforms van het Brentveld na hun werkzame leven ontmanteld moesten worden, stond niet altijd vast. Anders dan nieuwere offshore-installaties was de betonnen constructie nooit als tijdelijk bedoeld. Shell en Exxon, partners sinds Brent eind vorige eeuw een modernisering onderging, onderzochten vanaf 2007 of hergebruik mogelijk was. Onder de opties: opslag voor CO2, platform om windenergie op te wekken en zelfs als gevangenis of casino. Maar de afstand – 160 kilometer ten noorden van de Schotse Shetland-eilanden – en de ruige omstandigheden op dit stukje diepe Noordzee lieten geen alternatief buiten slopen.

Imagoschade

Ook de enorme imagoschade door de Brent Spar-affaire speelde een rol, erkent Shell. Na Greenpeace-protesten en een boycot van Shell-benzine haalde de multinational bakzeil, waarna het drijvende oliedepot ten slotte in Noorwegen werd gerecycled.

Sindsdien is het volgens de zogeheten Ospar-conventie verboden om afgeschreven materiaal te dumpen of in de Noordzee te laten staan. Juist voor het onderwaterdeel van Brent Delta (en de zusterplatforms die tot 2026 zullen worden gesloopt) is dat technisch en financieel een enorm probleem.

Shell en Exxon bepleiten een uitzondering op de Ospar-regels. Ze willen de betonnen pijlers laten staan, of desnoods inkorten tot 50 meter onder de zeespiegel, want helemaal weghalen zou te duur en te moeilijk worden. Als de Britse toezichthouder daarmee later dit jaar eventueel instemt, is nog een consultatieronde nodig bij de andere partijen in Ospar: vijftien Europese landen en Brussel. Milieugroepen, waaronder Greenpeace, willen dat er geen spoor achterblijft op de zeebodem.

Onrendabel

De sloop van Brent luidt het einde van het Noordzeeolie-tijdperk in. In totaal moeten een kleine 500 offshore-installaties de komende dertig jaar worden ontmanteld. Omdat de exploitatie van Noordzeevelden duur is, versnelden veel maatschappijen hun voorbereidingen daarvoor toen de gekelderde olieprijs sommige velden onrendabel maakte. Nu de olieprijs weer opkrabbelt van het dieptepunt – minder dan 30 dollar per vat, eind 2015 – is de urgentie lager, ook omdat de industrie sindsdien ingrijpend heeft bezuinigd. Daarbij komt dat er nog altijd een geschatte 20 miljard vaten aan winbare reserves in het Noordzeebekken zijn. Te veel installaties snel ontmantelen is dan niet slim.

Dat neemt niet weg dat de crisis in de sector voortduurt. De baai bij het Schotse Cromarty ligt vol werkloze boorinstallaties. Zie ook de verliezen en ontslagen bij Nederlandse offshore-bedrijven als Heerema en Boskalis. Maar sloop betekent ook een soort hoop, in elk geval in het Verenigd Koninkrijk. Britse bedrijven hopen nog goed te kunnen verdienen aan het afbreken en recyclen van installaties en de 10.000 kilometer aan pijpleidingen in de Noordzee. Die markt wordt geschat op zeker 50 miljard euro.

De ontmanteling van Brent zal een precedent zetten, zei Lang Banks, directeur van de Schotse afdeling van het Wereld Natuur Fonds eerder dit jaar tegen de Financial Times. Als het netjes gebeurt „is er een kans dat het Verenigd Koninkrijk een wereldleider wordt op het gebied van ontmanteling.”

Dat hoopt ook Peter Stephenson, directeur van Able UK in Hartlepool, in Noordoost-Engeland, waar de Brent Delta nu wordt gesloopt. Able is een voormalige scheepswerf die zich toelegt op sloop en recycling. De werf werd berucht door de jarenlange rechtszaken rond de zogeheten ghost fleet, vier oude Amerikaanse marineschepen die Able wilde slopen, maar die zo vol asbest en chemicaliën zaten dat milieugroeperingen de sloop vijf jaar blokkeerden. Able liep daardoor andere orders mis en het kostte volgens Stephenson honderden banen, zei hij tegen de BBC.

Voor Brent Delta is de werf van Able voor 25 miljoen pond gemoderniseerd. Dat er daarna meer sloopcontracten volgen is volgens de directeur alleen al logisch omdat de Britse burger – via een belastingkorting tot 70 procent aan de oliemaatschappijen – meebetaalt aan de opruiming van de olie-industrie.

Toen de exploratie van Noordzee-olie op gang kwam, in de jaren zeventig van de vorige eeuw, is dat wel vergeleken met het ruimtevaartprogramma van de NASA: technologisch stuntwerk onder de moeilijkste omstandigheden. Een economisch piekje als gevolg van de sloop ervan zou de ‘laatste grote daad’ van een stervende industrie zijn, schreef The Guardian.

Hefschip Pioneering Spirit hief eind april het bovenste deel van het platform Brent Delta van zijn poten: