Gelijkheid? Dan eerst een apocalyps (of een oorlog)

Geschiedenis

Wie geen oorlog wil of revolutie, of massale sterfte door pandemieën, moet leren leven met economische ongelijkheid. Een Amerikaanse historicus trekt uit cijfers over vijf millennia de conclusie dat een drastische herverdeling alleen mogelijk is met massaal geweld.

Het waren onthutsende cijfers die Oxfam, een samenwerkingsverband van ngo’s, eerder dit jaar presenteerde. In 2016 bezaten de acht rijkste mensen ter wereld evenveel als de armste helft van de wereldbevolking, zo wezen mondiale vermogensdata uit. Acht multimiljardairs tegen 3,6 miljard armoedzaaiers. Een jaar eerder werd het vermogensequivalent van de armste helft nog opgebracht door 62 superrijken en in 2010 door 388. De economische ongelijkheid in de wereld neemt snel toe.

Ongelijkheid van bezit en inkomen is oud. Tweeduizend jaar geleden waren de grootste Romeinse fortuinen 1,5 miljoen maal groter dan het gemiddelde hoofdelijke jaarinkomen in het rijk. Dat is ruwweg dezelfde verhouding als die tussen Bill Gates’ vermogen en dat van de gemiddelde Amerikaan. De berekening is van Walter Scheidel (1966), een in Oostenrijk geboren Amerikaan, die sinds 2004 hoogleraar oude geschiedenis is aan Stanford University. De rekensom is met heel veel meer cijfers en grafieken te vinden in Scheidels pas verschenen boek The Great Leveler – Violence and the history of inequality from the Stone Age to the twenty-first century. Het is een ambitieuze wereldgeschiedenis van economische ongelijkheid, aan de hand van een indrukwekkende hoeveelheid geschreven bronnen.

In deze groots opgezette studie, die meerdere millennia bestrijkt, komt Scheidel tot een ontnuchterende conclusie: in de loop van de geschiedenis hebben alleen gewelddadige schokken ongelijkheid drastisch verminderd. Hij behandelt vier soorten schokken: oorlogen met massale mobilisatie van mensen en middelen; radicale revoluties; pandemieën met massale sterfte; en de ineenstorting van hele staten en systemen. Voor dit geweld op grote schaal, dat grotere gelijkheid mogelijk maakt, gebruikt hij een bijbelse metafoor: de Vier Ruiters van de Apocalyps (Openbaring, hoofdstuk 6).

Toenemende ongelijkheid is een historische constante

Scheidel drukt economische ongelijkheid uit in twee maten: het vermogens- en inkomensaandeel van de rijkste 1 procent in een samenleving en de Gini-coëfficiënt, de mate waarin de inkomens- en vermogensverdeling afwijkt van volledige gelijkheid. Dat is altijd een cijfer tussen 1 en 0, waarbij 0 staat voor een situatie waarin iedereen evenveel heeft/krijgt en 1 voor een toestand waarin één persoon alles heeft/krijgt en alle anderen niets.

De gegevens die nodig zijn om een en ander nauwkeurig te berekenen zijn niet overal en altijd voorhanden. Hoe verder je teruggaat in de tijd, hoe fragmentarischer de gegevens zijn. Inkomstenbelastingen zijn al een zeldzaamheid vóór 1900. Vaak werkt Scheidel met guesstimates: schattingen op basis van de bronnen die wel beschikbaar zijn, zoals heffingen over luxe bezit in middeleeuwse steden, patronen van grondbezit, grondrentes in verhouding tot arbeidslonen, geregistreerde erfenissen en bruidsschatten. Voor prehistorische tijden werkt hij met archeologische data over de verspreiding van stenen werktuigen en de oppervlakte van huizen. Hij kijkt naar ongelijkheid binnen samenlevingen en staten; hij gaat niet in op ongelijkheid tussen landen.

Scheidel stelt vast dat toenemende ongelijkheid een constante is van de geschiedenis, te beginnen met de overgang van jagen en verzamelen naar landbouw, zo’n 10.000 jaar geleden. En die gestaag opgaande lijn, zegt hij, wordt alleen omlaag gedrukt door massaal geweld. Dat effect is steeds tijdelijk, constateert hij. Als zo’n schok na decennia, soms na eeuwen, is uitgewerkt, neemt de ongelijkheid weer toe.

Nivelleringsgolven

Twee van de vier apocalyptische ruiters die Scheidel behandelt, sloegen alleen toe in de pre-moderne tijd. De ineenstorting van rijken en rijkjes als die rond Eufraat en Tigris, het Egyptische rijk onder de opvolgers van Ramses II, de val van het Byzantijnse rijk en de verdwijning van de stadstaten van de Maya’s, zulke systeemcrises hebben zich daarna niet meer voorgedaan. De Ottomaanse en Sovjet-rijken slonken aanzienlijk in de loop van de 20ste eeuw, maar consolideerden zich in de rompstaten Turkije en Rusland.

De grote nivelleringsgolven in de wereld van de late Oudheid, de Middeleeuwen en de vroeg-moderne tijd waren het gevolg van pandemieën. Scheidel behandelt de Justiniaanse pest in het Europa van de zesde en zevende eeuw; de Zwarte Dood in de veertiende eeuw; en de massale sterfte aan uit Europa geïmporteerde ziekten onder de inheemse bevolking van zestiende-eeuws Amerika. Hij laat zien dat hun toegenomen schaarste de inkomenspositie van Europese pachters en indiaanse arbeidskrachten versterkte ten koste van grootgrondbezitters, ook al was dat tijdelijk.

Scheidel wijdt maar liefst drie hoofdstukken aan de Ruiter van de Apocalyps die hij omschrijft als ‘massamobilisatie-oorlog’ – en dat blijkt vooral een 20ste-eeuws fenomeen. Niet elke oorlog in de geschiedenis nivelleert economische ongelijkheid. Gewapende conflicten die worden uitgevochten door relatief kleine beroepslegers op afstand van bevolkings- en productiecentra hebben geen herverdelend effect. Burgeroorlogen hebben dat evenmin: de elite van de winnende partij onteigent de bezittingen van rijke verliezers. Alleen oorlogen waarbij een groot deel van de bevolking rechtstreeks is betrokken, en waarin de hele economie wordt ingeschakeld, verkleinen economische verschillen, zegt Scheidel.

Pestdokter. illustratie uit boek van Jean-Jacques Manget (1721)

Dat is een complex proces. Grote verliezen aan mensenlevens zorgen voor schaarste aan arbeidskrachten en verhogen de prijs van arbeid. Vermogenden die beschikken over vastgoed, machines en andere kapitaalgoederen lijden de grootste verliezen door oorlogsschade. Belastingen gaan omhoog om de overheid in staat te stellen de oorlogsinspanning te financieren, en die raken de rijken het hardst. Bovendien vragen oorlogen waarin grote aantallen mensen worden gemobiliseerd om concessies van de elite aan het volk, dat immers nodig is voor de krijgsdienst. Scheidel citeert de Duitse socioloog Max Weber die in zijn Wirtschaftsgeschichte (1924) schreef: „Militaire discipline betekende de triomf van de democratie, omdat de gemeenschap zich gedwongen zag de medewerking te verzekeren van de niet-aristocratische massa’s en hen wapens, en daarmee politieke macht, in handen gaf.”

In een apart hoofdstuk schetst Scheidel de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog voor het keizerlijke Japan. Dat land had zich na een isolement van eeuwen halverwege de 19de eeuw geopend naar de wereldeconomie en was daarna in hoog tempo geïndustrialiseerd. Daardoor waren de inkomens- en vermogensverschillen snel toegenomen. Tot in de jaren 30 profiteerden grootgrondbezitters, aandeelhouders en bestuurders van grote ondernemingen buitenproportioneel van de economische groei. De Japanse aanval op China in 1937 was een keerpunt. De Nationale Mobilisatiewet van 1938 gaf de regering vergaande bevoegdheden om de economie in het militaire gareel te brengen. Ze kon mensen aannemen en ontslaan, arbeidsvoorwaarden dicteren, en beslissen over de productie en distributie van goederen. Pachtgelden en prijzen werden bevroren en lonen en grondprijzen vastgelegd, aan bonussen voor raden van bestuur werden maxima gesteld en de inkomstenbelasting voor personen en bedrijven werd jaarlijks verhoogd.

We hebben twee historici gevraagd te reageren op het boek van Scheidel. Jan Luiten van Zanden wijst erop dat Europa vrij egalitair is gebleven na de Tweede Wereldoorlog. Scheidel meet ongelijkheid alleen af aan inkomen en vermogen. Dat is te beperkt, vindt Nico Wilterdink

Na de aanval op Pearl Harbor (1941) werd beslag gelegd op alle particuliere schepen groter dan 100 ton; en 80 procent daarvan zou verloren gaan. Over massamobilisatie gesproken: tegen het einde van de oorlog hadden 8 miljoen man, een kwart van de mannelijke bevolking, gediend in de strijdkrachten. In de laatste maanden van de oorlog leed het land onder verwoestende bombardementen; in september 1945 was een kwart van ’s lands kapitaalvoorraad vernietigd. Na de oorlog was de klasse van renteniers nagenoeg verdwenen. Tussen 1938 en 1947 steeg het inkomensaandeel van de 95 procent Japanners onder de top van allerrijksten van 68,2 procent naar 81,5 procent en dat ging volledig ten koste van de 1 procent grootste verdieners. Ter vergelijking: in nog geen tien jaar veranderden de Japanse inkomensverhoudingen van zeer ongelijk zoals in de VS van 2009 tot even egalitair als in Zweden anno nu.

Die nieuwe verhoudingen werden na de oorlog geconsolideerd. De bezettingsautoriteiten onder generaal MacArthur voerden radicale landhervormingen en andere herverdelende maatregelen door in de geest van Roosevelts vooroorlogse New Deal-politiek in de VS. Dit om te voorkomen dat een kleine elite opnieuw zou vervallen in militaristische avonturen.

1914-1945

Van Japan breidt Scheidel zijn analyse uit naar de rest van de wereld in de periode 1914-1945, het tijdvak dat hij, in navolging van generaal Charles de Gaulle, ‘de dertigjarige oorlog’ noemt, een samentrekking van de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Hij laat met cijfers zien dat in die drie decennia in alle economieën, met uitzondering van landen die ver van het oorlogstoneel lagen, zoals Zuid-Afrika en Argentinië, het aandeel van de 1 procent hoogste inkomens jaarlijks kleiner werd.

De herverdelende gevolgen van de wereldoorlogen, zegt Scheidel, bleven nog lang doorwerken: de accumulatie van nieuw kapitaal vergde tijd en de progressieve belastingen uit oorlogstijd bleven bestaan. Bovendien waren klassenverschillen vervaagd, de verwachting van een eerlijker verdeling na de gezamenlijke oorlogsinspanning bleef sterk en leidde tot de opbouw van verzorgingsstaten.

Op zoek naar historische antecedenten gaat Scheidel terug in de tijd, maar in de pre-moderne wereld zijn massamobilisatie-oorlogen schaars. Hét voorbeeld van nivellerende oorlogvoering uit de Oudheid vindt hij in de stadstaat Athene. Van de zesde tot de vierde eeuw voor Christus berustte de macht van Athene op haar oorlogsvloot. Die werd via progressieve belastingen gefinancierd door de rijksten en bemand en geroeid door gewone burgers – een vorm van massamobilisatie. In de Atheense democratie zorgden die laatste, die ver in de meerderheid waren en bovendien onmisbaar voor de maritieme oorlogvoering, dat de belastingdruk op de rijksten hoog bleef.

Een andere brute Ruiter van de Apocalyps waren de 20ste-eeuwse ‘klassenoorlogen’ in Rusland, China en Cambodja. Die omwentelingen zetten ten koste van miljoenen mensenlevens de inkomens- en vermogensverhoudingen in deze landen op hun kop, door nationalisaties, onteigening van boeren en collectivisering van de landbouw. Een en ander ging gepaard met massaal geweld en grote hongersnoden. Scheidel schrijft dat elders in Europa en Azië de angst voor zulke revoluties leidde tot een preventief herverdelingsbeleid ten gunste van de werkende bevolking. Ook de opbouw van de naoorlogse verzorgingsstaten in West-Europa ziet hij in het licht van eerdere ervaringen met oorlog en revolutie.

In de laatste hoofdstukken van zijn boek houdt Scheidel mogelijke alternatieve draaiboeken voor herverdeling tegen het licht, zoals vreedzame landhervormingen, economische ontwikkeling, recessies en democratisering. Aan de hand van grafieken en cijferreeksen laat hij zien dat de herverdelingseffecten daarvan qua omvang en duur in het niet vallen bij die van de gewelddadige scenario’s. De Grote Depressie van de jaren 30 werkte vooral nivellerend in de VS, wat minder in Europa, en in beide delen van de wereld was het effect aan het eind van het decennium goeddeels uitgewerkt.

Scheidel eindigt met de inkomens- en vermogenscijfers voor de afgelopen drie decennia. Daaruit blijkt dat de vermindering van ongelijkheid die zich aftekende in de loop van de twintigste eeuw, dankzij oorlog en revolutie, en die hij de ‘Grote Compressie’ noemt, na ongeveer 1980 in zijn tegendeel is omgeslagen. Sindsdien zijn de verschillen overal in de wereld weer toegenomen. Waarom? Het nivellerende effect van het massale geweld in de eerste helft van de eeuw, zegt Scheidel, was uitgewerkt.