Column

Dat ook weer niet

In een café hoorde ik twee mannen praten. Of eigenlijk maar één – de andere man bromde af en toe wat. De prater was net verhuisd naar, wat hij zelf noemde, ‘een leuke middenklassewijk zonder sociale allure’. Dit bracht hij als iets goeds. De brommende man bromde iets twijfelends, want de prater zei geruststellend: „Nee, maar, Diemen is ook niet meer het Diemen zoals jij het kent, hoor.

En van de vele dingen die je over Diemen zou kunnen zeggen, lijkt me dit het meest geschikt om als motto te adopteren. Bij elke invalsweg een groot bord: „Diemen, niet meer het Diemen zoals jij het kent, hoor.”

De prater vervolgde met een uitleg over de verhuizing, en die uitleg was dusdanig lang dat hij de indruk wekte vooral zichzelf te moeten overtuigen. Zijn vrouw en hij werkten alletwee in Amsterdam, wilden niet te ver reizen, en met die lage hypotheekrente kostte het allemaal ‘geen drol’. Dus ja. En ze hadden heel lang gezocht. „Het was echt op het punt dat we uit elkaar gingen. Nou ja, dat ook weer niet.”

Het was vooral dat laatste waardoor ik ging meevoelen met de man. Had hij nou wel of niet op de rand van echtscheiding gestaan? Het zou allebei mogelijk zijn. Misschien was het echt zo geweest, maar schrok hij dat hij het toegaf, en stelde zijn uitspraak toen snel bij.

Ben ik nu de man geworden die met een vriend aan het praten is over een leuke middenklassewijk?

Aan de andere kant, misschien was het helemaal niet zo, maar voelde hij dat het gesprek over Diemen en hypotheekrenteaftrek te saai was. Misschien dacht hij: ben ik dit echt? Ben ik nu de man geworden die met een vriend aan het praten is over een leuke middenklassewijk? Misschien dat hij daarom besloot tot een dramatische uitschieter. Om meteen daarna te denken: dat kan ik toch niet zomaar zeggen, als het niet echt zo is.

Ik gok op het laatste. Een man met behoefte aan dramatiek, aan extremen. Hij vertelde even later dat zijn jongste dochter altijd óf een 3 haalde, óf een 9. „Nooit een zeven, leuk is dat.”