Cultuur

Interview

Interview

Merlijn Doomernik

‘We zijn er niet om mensen te bekeren’

Leger des Heils

Henk Dijkstra werkte vijftig jaar voor het Leger des Heils in Amsterdam. Onder zijn leiding is het leger gegroeid en minder belerend geworden.

Henk Dijkstra (67) stapt door de gang van Domus+, een beschermde woonvorm in Amsterdam-Zuidoost voor cliënten met psychiatrische problematiek, verslaving en lichte verstandelijke beperking. „Kijk, daar zit 120 jaar aan gevangenisstraf bij elkaar”, zegt de directeur van het Amsterdamse Leger des Heils terwijl hij stopt voor een foto van lachende bewoners van Domus+ die op bezoek zijn bij een thuiswedstrijd van Ajax.

Henk Dijkstra is bezig aan zijn laatste weken als algemeen directeur van de Leger des Heils (LDH) Goodwillcentra Amsterdam. Op 19 mei gaat hij met pensioen.

Dijkstra werkte ruim vijftig jaar voor het leger en was bijna negentien jaar algemeen directeur van de Amsterdamse tak. Onder zijn leiding verdrievoudigde het Amsterdamse Leger van 400 naar 1.200 man personeel. Het budget verdubbelde tot 67 miljoen euro. En anno 2017 telt de hoofdstad 48 locaties, 300 woningen, 15.000 cliënten. Dijkstra: „Twintig jaar geleden werkten we als Leger des Heils nog heel amateuristisch in de maatschappelijke opvang.”

Onder zijn leiding verdrievoudigde het Amsterdamse Leger van 400 naar 1.200 man personeel

Dat initiatief kwam oorspronkelijk uit Engeland. Eind 19de eeuw waaide de evangelische organisatie over naar Nederland. De insteek was hetzelfde: vanuit christelijke geloofsovertuiging werd maatschappelijke hulp verleend aan daklozen, prostituees en verslaafden.

Aanvankelijk waren de heilsoldaten vooral op straat actief. Ze trokken langs cafés en speelden muziek op pleinen in de hoop nieuwe mensen te overtuigen van hun boodschap. Andere initiatieven lieten niet lang op zich wachten. Kledingafhaalpunten, de soepbus, opvanghuizen en werkprojecten volgden.

Schoenmaat 47

Voor Henk Dijkstra – driekwart van zijn familie zat bij het leger – begon de loopbaan achter de kassa op het hoofdkwartier in Amsterdam. Hij deed dat werk vier jaar en werd op zijn 21ste aangesteld als sportinstructeur in de daklozenopvang op de Zeeburgerdijk. Daar gaf hij iedere vrijdag van half acht ’s ochtends tot half twaalf ’s avonds in zijn eentje leiding aan een groep van 75 alcoholisten. „Dat kon toen nog gewoon”, zegt hij. „Toen kreeg ik echt het gevoel: ik heb wat met deze gasten.”

In mum van tijd klom de eigenzinnige rasechte Amsterdammer op binnen de organisatie. Op zijn 35ste werd hij directeur van de dak- en thuislozenopvang aan de Zeeburgerdijk. En weer tien jaar later mocht hij zich algemeen directeur noemen van het Leger des Heils Amsterdam. Of hij door die promotie veranderde? Dijkstra: „Ik heb schoenmaat 47 en sta altijd met beide benen op de grond.”

Merlijn Doomernik

Naast Dijkstra’s cv groeide ook zijn reputatie binnen het wereldje. De streetwise daklozen wisten inmiddels: met heethoofd Henk Dijkstra valt niet te sollen. Die reputatie dankte hij, naar eigen zeggen, vooral aan een akkefietje met een lastige cliënt, dat in het begin van zijn carrière plaatsvond. De cliënt zat krap bij kas en eiste van Dijkstra dat hij geld kreeg. Toen de directeur hem dat weigerde, kreeg hij een klap in zijn gezicht. Regel één van de straat: laat niet over je heen lopen. Dijkstra: „Ik sloeg die vent dwars door de deur heen.”

Als directeur zag hij de clientèle van het Leger des Heils de afgelopen decennia veranderen. Aanvankelijk was 95 procent Nederlands en alcoholist: „Zwerverachtige types.” In de jaren tachtig stak de drugsproblematiek de kop op. Heroïne en basecoke (een rookbare vorm van cocaïne) domineerden de hoofdstad en gebruikers deden alles om een shotje te kunnen bekostigen. Vooral de kleine kruidenierwinkeltjes in het centrum leden onder de drugsepidemie: „Die werden compleet leeggeroofd.”

Was het Leger des Heils op deze nieuwe groep voorbereid?

De directeur schudt zijn hoofd. „Gebruikers waren niet alleen verslaafd, maar kampten regelmatig ook met psychiatrische problemen of met een lichte verstandelijke beperking – of alle drie. We waren in die tijd ontzettend naïef en hadden geen flauw idee hoe we met deze cliënten om moesten gaan. Het enige wat we deden was cipiertje spelen en de boel onder controle houden. Als het uit de hand liep, dan belden we de politie.”

Die houding werd veroorzaakt door de heersende opvatting binnen het leger, vertelt Dijkstra: orde houden en handhaven is het maximale dat je met deze lastige doelgroep kunt bereiken. „Daar zijn we de afgelopen vijftien jaar hard van terug gekomen.”

Leven lang zuipen

Dak- en thuislozen werd niet langer verboden om drugs of alcohol op hun eigen kamer te gebruiken. Het leger benaderde zijn clientèle minder belerend, zegt Dijkstra. „Als iemand zijn halve leven heeft gezopen of drugs spoot, kun je niet van de één op de andere dag zeggen: daar stop je nu mee. Dan is binnen een week je hele pand leeg.”

Daarom werd onder Dijkstra in rap tempo nieuw personeel aangenomen, zoals psychologen en orthopedagogen. Er kwamen beschermd- en begeleidend-wonenprojecten en dagbestedingtrajecten. Die moesten cliënten voorbereiden op hun terugkeer in de samenleving.

Legersoldaat, jaartal onbekend

Ook voor de cliënten met een verslaving, psychiatrische problematiek en een lichte verstandelijke beperking werden baantjes gevonden. Sommige werkprojecten waren aanvankelijk te licht, geeft Dijkstra toe. Zo was er een poetslappensnijderij, waar dak- en thuislozen kledingstukken tot poetslappen sneden. Dijkstra: „Later dacht ik: ‘Ach Henk jongen, je bent helemaal verkeerd bezig’. Het was denigrerend werk voor onze doelgroep. Alsof ze niets meer konden dan een lapje snijden.” Tegenwoordig werken ook deze cliënten als fietsenmaker of als kok in een restaurant. „Daar ben ik trots op.”

Het zijn niet de enige veranderingen die Dijkstra in de afgelopen decennia doorvoerde. Het geloof kreeg een minder prominente plaats binnen de Amsterdamse tak van het LDH. Zieltjes winnen werd niet getolereerd. Dijkstra: „Schrijf maar op: in de afgelopen twintig jaar heb ik drie keer een medewerker een officiële waarschuwing gegeven omdat die alleen maar aan het evangeliseren was. Dat heb ik eruit geramd.”

Pardon, eruit geramd? Henk Dijkstra staart naar het plafond, citeert een paar regels uit de Bijbel en zegt dan stellig: „Het is niet de bedoeling dat je je eigen normen en waarden en relatie met god projecteert op de ander. Helemaal niet op een cliënt die op dat moment afhankelijk van het Leger des Heils is. We krijgen geen subsidie om mensen te bekeren. Dit werk biedt ons wel de kans om te zien waar we in geloven en wat onze drijfveer is.”

Sommigen heilssoldaten vonden Dijkstra te liberaal, anderen zeiden dat hij te makkelijk met het geloof omsprong. Hij knikt: „In andere delen van het land wordt niet altijd even positief over Henk Dijkstra gedacht.” Het is het lot van de directeur van het LDH in Amsterdam, die wordt altijd extra in de gaten gehouden.

Vluchtelingenhoos

De laatste grote horde die Dijkstra nam was de „vluchtelingenhausse” die in 2015 naar Europa kwam en ook Amsterdam aandeed. Voor honderden vluchtelingen moest onderdak gevonden worden in de noodopvang – een kantoorpand aan de rand van de stad. Het contact met het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA) over de vluchtelingen liep stroef, zegt Dijkstra. De benadering van het COA vond Dijkstra te formalistisch. „Ik ben geen fan van het COA. Al die protocollen. Rot op, daar zit niemand op te wachten. Wij helpen mensen. Gisteren, niet overmorgen.”

Ik ben geen fan van het COA. Al die protocollen. Rot op, daar zit niemand op te wachten

De meimaand zal Dijkstra zijn opvolger Ed Bosma („Ook een man uit het veld”) wegwijs maken in het Amsterdamse wereldje van dak- en thuislozen. Daarna is hij weg. Helemaal afscheid neemt hij natuurlijk niet van het leger. Hij blijft dirigent van de band van korps Amsterdam-West.

Zijn erfenis noemt Henk Dijkstra „stabiel”. Dit jaar komen er nog honderd plaatsen in de nachtopvang bij, zegt hij. En dat is een historisch moment voor het Leger des Heils en de stad Amsterdam, zegt de afzwaaiende directeur. Dijkstra: „Dan hoeft niemand hier meer op straat te slapen. We hebben dan voor iedereen in deze stad een plekje.”