Interview

‘We moeten een nieuw maatje vinden in de EU’

Pieter de Gooijer, EU-ambassadeur

Pieter de Gooijer vertegenwoordigde Nederland in Brussel in een woelige tijd. „Op de dag dat de Britten vertrekken, gaan wij aan slag om ze terug te halen.”

Pieter de Gooijer, de vertrekkende EU-ambassadeur, heeft veel meegemaakt: van de eurocrisis tot het Brexit-drama. Foto Kick Smeets

Het diplomatieke krachtenveld dat hij zes jaar geleden in Brussel aantrof is niet hetzelfde dat hij nu achterlaat. Brexit dwingt alle EU-lidstaten tot een heroriëntatie, maar vooral Nederland. „We raken een maatje kwijt, een gelijkgezinde in de EU”, zegt de Nederlandse topdiplomaat Pieter de Gooijer. „De rol van Frankrijk, Duitsland, Polen en Spanje neemt nu relatief toe. Naar wie moeten we opschuiven?”

Dat De Gooijer juist nu vertrekt als Nederlandse EU-ambassadeur betekent niet dat hij zelf geen rol meer zal spelen bij het beperken van de diplomatieke schade. Integendeel: hij wordt ambassadeur in Frankrijk, dat na de verkiezingen weer een sleutelrol kan gaan spelen in de EU.

Ietwat gesloten, geen woord te veel – dat was de indruk die De Gooijer zes jaar geleden maakte bij zijn entrée. Begrijpelijk: de eurocrisis woedde volop, een oplossing was niet in zicht. Nu oogt hij ontspannen. Nog altijd zoekt hij zorgvuldig naar zijn woorden. Maar hij praat graag en toont een groep journalisten gul een kijkje in de diplomatieke keuken.

In die keuken is het een gekkenhuis geweest: Na de Griekse geldcrisis kwamen de migratiecrisis en het Brexit-drama en zette de opmars van de anti-Europese populisten door. Tussendoor begon een oorlog aan de oostgrens en clashen West- en Oost-Europa over cruciale dossiers zoals arbeidsmigratie, de rechtstaat en vrijheid van meningsuiting. Precies die moeilijke omstandigheden hebben De Gooijer gemaakt tot wat hij nu is: een door de wol geverfde, crisisbestendige topdiplomaat, die van het roulerende EU-voorzitterschap van Nederland vorig jaar een opmerkelijk succes wist te maken.

De avond vóór het interview was hij voor het laatst gastheer van de Koningsdagreceptie. Het werd laat. „Vanochtend na het ontbijt een uur gerend, het gif uitgezweet”, lacht hij ondeugend. Na zes Brusselse tropenjaren is er ruimte voor humor. Gaat het over een mogelijke Frexit, als Marine Le Pen zondag de verkiezingen in Frankrijk wint, dan is hij eerst ernstig. „Een joekel van een bedreiging.” Meteen daarna: „Jemig de pemig!”

De EU gaat door een dal. Ziet u dat terug in het geregelde overleg dat u met andere EU-ambassadeurs hebt?

„Ja. Wat je ziet is dat Europees beleid binnenlands beleid is geworden. Twintig jaar geleden konden de leiders bij onenigheid in Brussel zeggen: ‘Weet je wat, we praten over een paar maanden wel verder.’ Dat gaat nu niet meer. We onderhandelen steeds vaker op het scherpst van de snede. Maar we zijn allemaal professionals die beseffen dat je een vertrouwensrelatie met elkaar moet onderhouden en je persoonlijke voorkeuren moet vergeten.”

Op welke manier creëer je die vertrouwelijkheid?

„Elke week zit hier wel een collega-ambassadeur op de bank, of ik bij hem. Of in het café om de hoek, voor een opener gesprek. ‘Hoe sta jíj hier nu in?’ Dan zegt de collega bijvoorbeeld: ‘Ik heb een loeiharde instructie van mijn regering, die wil niet wijken.’ Zo tast je de ruimte af. Daar moet je vertrouwelijk mee omgaan, anders doet hij dat niet meer.”

Dat geeft u dan niet door aan Den Haag?

„Je moet geweldig voorzichtig zijn om je bronnen niet te verbranden, dat hoef ik journalisten niet uit te leggen. Soms geef ik informatie door waarvan ik zeg: dat moet in heel kleine kring blijven, anders brengt het iemand in grote problemen.”

U houdt soms wel eens wat achter?

„Mijn chefs, de premier, de ministers, moeten kunnen vertrouwen dat ik alles vertel wat ik weet en waar Nederland zijn voordeel mee kan doen. Daar kunnen ze ook op rekenen, maar ik zal ze zeggen: pas hier wel heel erg mee op. Je zoekt dan andere vormen om de informatie te delen, nooit per mail bijvoorbeeld.”

Het gremium van EU-ambassadeurs, in EU-jargon Coreper genoemd, wordt vaak een zwarte doos genoemd. Terecht?

„Ministers en staatssecretarissen gaan on the record met hun posities. Terecht, zij dragen de politieke verantwoordelijkheid. Maar uit die openbaarheid vloeien beperkingen voort. Het aardige van het Coreper is, omdat je in de besluitvorming vóór de raad zit, dat je nog kunt proberen een brug te slaan, vóór de posities helemaal zijn vastgezet. En dat is wat onderhandelen is.”

In de EU wordt vaak gerept over kloven: Noord-Zuid, Oost-West, klein-groot. Zie je dat terug in Coreper?

„Sommigen zijn gelijker dan anderen. Grote lidstaten hebben een ander gewicht dan de kleine landen. Ik probeer met de beste collega-ambassadeurs te werken, daar heb je het meest aan als je iets wilt bereiken. Er zijn allerlei informele clusters van gelijkgezinden. De Benelux is een sterk merk: als wij drieën het eens zijn, is het vaak een compromis waar anderen zich ook in vinden.”

Brexit is voor Nederland slecht nieuws. Zijn we niet te lang op de Britten gericht geweest?

„Te lang? We doen het al vierhonderd jaar, balanceren tussen Duitsland, Frankrijk en het VK. Nederland is de eerste vijftien jaar van de EU bezig geweest om de Britten erbij te halen. Ik zeg wel eens grappend: op de dag dat de Britten eruit gaan moeten wij weer aan de slag om ze terug te halen.”

Waarom kraakt de EU in haar voegen?

„Ik ben geen Hiltermann, maar we leven in een tijd van globalisering. De gevolgen daarvan zijn voor veel mensen beangstigend. Hoe gaan we over twintig jaar ons brood verdienen? Is die onzekerheid de schuld van Europa? Nee. De EU is een organisatie. En een organisatie kan nooit de schuldige zijn. Ik ben geen eurofiel, maar bedreigingen die van buiten komen kun je niet alleen oplossen. Daar heb je een Europees niveau voor nodig.

„Als de EU morgen uit elkaar zou vallen dan gaan we haar overmorgen opnieuw uitvinden. Op sommige terreinen moet het sneller en daadkrachtiger. Als je ziet hoe snel de Amerikaanse economie zich herpakt heeft na de bankencrisis: ik had graag hetzelfde gezien in Europa. Maar goed: in Amerika heb je één president en één Federal Reserve. Wij hebben 28 regeringen.”

Politici in Nederland hebben Europa nooit geweldig verkocht. Zaten ze u daarmee in de weg?

„Er is in de Nederlandse politiek best veel euroscepsis. Het mooie van het EU-voorzitterschap was dat veel politici zagen dat wel degelijk iets bereikt kon worden. Kijk maar naar het migratiedossier. Rutte, Dijkhoff, Koenders en Timmermans hebben een heleboel energie in het dossier gestopt. Nu weet ik dat niet iedereen even tevreden is over de oplossing, maar de oplossing is wel effectief.”

U heeft zes jaar in de machinekamer gezeten. Is de EU robuust genoeg?

„Als mevrouw Le Pen president wordt, en Frankrijk inderdaad uit de Unie zou nemen, dan is dat een joekel van een uitdaging. Maar ik word betaald voor het vinden van oplossingen. Misschien zouden we in zo’n situatie wel terug moeten naar een stuk of zes lidstaten. Maar wij moeten niet naar de wereld van 1939 of van 1815. Ik denk wel dat naarmate je met meer bent je moet accepteren dat je meerderheden moet laten beslissen, in plaats van altijd consensus te willen zoeken. Doe je dat niet, dan zet je een premie op dwarsliggen.”

Nederland heeft nu minder geld voor diplomatie, juist nu de geopolitiek terug is van weggeweest. Hebben we ons daarmee benadeeld?

„Ik ga niet zeggen dat we te veel hebben bezuinigd op buitenlanduitgaven, er moest overal veel gesneden worden. Ik ben wel blij dat iedereen ziet dat diplomatie een serieus vak is dat bijdraagt aan de welvaart en veiligheid van Nederland. Vijf of tien jaar geleden hoorde je vaker: we zijn maar een klein landje, heeft het wel nut, en wat kost het wel allemaal niet? Die lui zitten toch alleen maar te eten en te drinken? Dat is nu wel voorbij.”