Column

We helpen joden alleen uit naam van Jezus

Ook het tweede deel van het oorlogsdagboek van Hanny Michaelis (1922-2007) is overrompelend. Met name als het over het christelijk antisemitisme gaat, waar ze in haar onderduik mee te maken krijgt.

Ook in De wereld waar ik buiten sta, het tweede deel van het postuum verschenen oorlogsdagboek van dichteres Hanny Michaelis, vergeet je voortdurend dat de Duitsers de joden in bezet Nederland het leven met de dag onmogelijker maakten. Neem deze voorjaarsimpressie van de Amstel in Amsterdam: ‘De hemel was grijs en bewolkt, en zo loom en zwaar als een lentehemel maar kan zijn. Maar af en toe kwam er een bleek zonnetje en strooide wat goudlicht uit over de vochtiggroene weilanden, die naar mest roken en jong gras. In de parelgrijze Amstel dreven metersdikke ijsschotsen rond en tussen het riet zaten de vogels te fluiten. De bomen zaten vol zwellende knoppen, en bij een zilveren plas in de wei stond een paard onbewegelijk te dromen.’

Het is 17 maart 1942 en ze is verliefd. Dit keer niet op Dick Binnendijk, haar vroegere leraar Nederlands op het Vossius Gymnasium, maar op de nog oudere hoogleraar Nico Donkersloot (de dichter Antonie Donker), die haar haar eerste echte zoen geeft.

Ze woont in die dagen bij het echtpaar Van Schaik op de Leidsekade. Na haar eindexamen heeft ze er een betrekking als dienstmeisje gevonden, omdat ze als jodin elders niet werd aangenomen. En hoewel ze bedden opmaken ‘stupide’ vindt, geniet ze van het artistieke milieu waarin ze is beland. Mevrouw Van Schaik, de schrijfster Jeanne van Schaik-Willing, is bevriend met beroemde kunstenaars en intellectuelen, zoals de schilder Carel Willink (‘een zeldzaam mooie kop, zonder knap te zijn of zelfs maar ‘‘aantrekkelijk”’) en literaire reuzen als Adriaan Roland Holst, Victor van Vriesland en Nico Donkersloot.

Als de Duitsers op 29 april 1942 de jodenster invoeren, leidt dat tot een van de merkwaardige situaties, die dit dagboek zo bijzonder maken. Van Schaik-Willing is joods, maar wil er, net zoals haar gezin, niets van weten. Daarom vindt ze het extra erg om een ster te moeten dragen. Als Michaelis hiertegen inbrengt zich evenmin joods te voelen, maar het dragen van de ster toch niet erger voor zichzelf te vinden dan voor andere joden, krijgt ze de wind van voren. De Van Schaiks dringen haar zelfs een ‘typisch joodse levenshouding’ op.

De gebeurtenissen volgen elkaar hierna in hoog tempo op. Donkersloot, een van de leiders van het verzet tegen de door de bezetter ingestelde Kultuurkamer, wordt opgepakt en belandt als gijzelaar in kamp Amersfoort en vervolgens in Sint-Michielsgestel. Michaelis kan nu alleen nog van hem dromen; haar hartstocht stilt ze met de brieven die ze van hem ontvangt.

Als op 29 juni 1942 haar ouders haar vertellen dat binnenkort alle Duitse en Nederlandse joden naar Polen en Duitsland worden gedeporteerd om in fabrieken te werken, beseft Michaelis dat ‘het zwaard van Damocles je ieder moment kan treffen.’ Het optimisme uit Lenteloos voorjaar, het eerste deel van haar dagboek dat de jaren 1940-1941 bestrijkt, is ineens verdwenen. Nog geen maand later ontvangt ze zelf een oproep voor Polen, die – absurder kan het bijna niet – per aangetekende post bij de Van Schaiks wordt bezorgd. Meneer Van Schaik overhandigt haar het document en spreekt de plechtige woorden: ‘Ja – het is zover’. Daarna geeft hij haar zijn vulpen om het ontvangstbewijs te tekenen. Ze doet dat, terwijl de tranen over haar wangen biggelen. Als ze even later haar ouders het slechte nieuws meedeelt, neemt ze echter een cynische houding aan alsof het haar onverschillig laat.

Na een mislukte poging om een baantje bij de Joodse Raad te bemachtigen, duikt Michaelis onder, eerst in Zeist, later in de Haarlemmermeer, waar ze opnieuw dienstmeisje is. De mensen die haar laten onderduiken zijn dappere gereformeerden. Ze helpen joden ‘uit Christenplicht’ of ‘om Jezus wille’, maar niet uit menselijkheid, want voor hen zijn alleen christenen mensen. Het beeld dat ze van hen schetst is wrang. Regelmatig wordt ze geconfronteerd met christelijk antisemitisme. Zo zegt een van haar helpers: ‘De joden hebben het er ook wel een beetje naar gemaakt, want in cafés dringen ze zich zo op de voorgrond’. Door zulke ervaringen voelt ze zich in de onderduik een buitenstaander, al heeft ze het bij de familie Van Melle in de Haarlemmermeer en later bij het echtpaar Merkelijn in Leiden best naar haar zin, vooral tijdens de muziekavondjes die er worden georganiseerd.

Opvallend is dat ze weer naar Binnendijk verlangt, de enige man aan wie ze zich fysiek en intellectueel gewaagd voelt. Het is een bakvis-achtige gedweep, dat soms irritant wordt als het zich blijft herhalen. Maar je vergeeft haar alles, omdat ze naarmate de bevrijding in zicht komt beseft dat ze haar ouders, die naar Polen zijn gedeporteerd, nooit meer terug zal zien. Eindelijk dringt dan tot haar door dat ze het, ondanks al haar ruzietjes met haar moeder, thuis altijd zo fijn had.