De Poolse tango verdween door de Holocaust - en komt nu terug

Een jonge Israëlische dirigent verhuisde naar Warschau om de Poolse tango nieuw leven in te blazen.

De Poolse actrice Pola Negri (echte naam: Barbara Apolonia Chalupiec) als zangeres in de film Mazur (1935). Foto het Pools Nationaal Fotoarchief (NAC)

De muziek is niet Joods, legt Noam Silberberg uit. De Israëliër hanteert mes en vork in een restaurant tussen spiegelglazen kantoorblokken in een deel van Warschau dat 75 jaar geleden het getto was. Silberberg: „Net zomin als de violen, saxofoons en banjo’s van deze amusementsmuziek Joods waren. Wel was 80 procent van de componisten van de Poolse tango Joods, net als het overgrote deel van de musici. Ze speelden in de bars, restaurants en nachtclubs van het Warschau uit de jaren dertig.”

Voor de oorlog leefden in Polen rond de 3,3 miljoen Joden. Drie miljoen van hen werden tijdens de Duitse bezetting vermoord. In de jaren daarna verlieten de meeste overlevenden het land. De Poolse tango was op sterven na dood. Silberberg: „Feitelijk hield de muziek op te bestaan. In de puinhopen van Polen waren niet alleen veel musici, maar ook de vraag naar lichtzinnige dansmuziek ten grave gedragen. Het communisme was in aantocht, de wederopbouw. Daar paste bombastische muziek bij, geen tango’s, foxtrots, Bostons.”

Muzikant Noam Silberberg. Foto Asaph Brosh

Silberberg (1991) groeide op in Israël, waar hij het conservatorium van Tel Aviv doorliep. Hij stuitte op de Poolse tango terwijl hij zijn eigen Poolse wortels onderzocht. De muziek blies hem niet direct uit zijn sokken, wel was hij getroffen door het verlies van iets wat zo’n onmiskenbaar onderdeel had uitgemaakt van de cultuur van zijn voorouders. „Overal in de wereld was de tango populair in die dagen, maar nergens was de liefde zo heftig als in Warschau. Advertenties en platen uit die tijd leren dat meer dan de helft van de populaire liedjes tango’s waren. Neem iemand als Wladyslaw Szpilman, die beroemd is geworden door Polanski’s film The Pianist. In de film speelt hij Chopin. In de bars van het getto speelde hij Poolse tango’s, avond na avond.”

Allengs begon Silberberg de muziek te waarderen. Nu is het liefde. Twee jaar geleden emigreerde hij naar Polen met een missie: de revitalisering van de Poolse tango.

Silberberg zoekt en luistert naar bekende en obscure opnames uit de jaren dertig. Hij zet de muziek op papier en laat die uitvoeren door zijn eigen dansorkestje ‘Mala Orkiestra Dancingowa’. Zelf is hij de pianist. Telkens als Silberberg genoeg geld heeft verdiend met zijn reguliere baan – genealogieonderzoeker bij het Joods Historisch Instituut van Warschau – treedt het orkestje op. „Ik betaal de musici, omdat ik de muziek alleen door beroeps wil laten uitvoeren. Als je dit doet, moet je het goed doen.”

Lyrisch

Tijdens het joodse voorjaarsfeest Poerim speelde zijn orkestje Poolse tango’s voor de kleine Joodse gemeenschap van Warschau. Ze klinken als Argentijnse tango’s, maar dan lyrischer, misschien ook melancholieker. Silberberg: „Het lijkt op andere muziek, zeker, maar het gaat hier onmiskenbaar om een eigenstandig genre. Timbre en articulatie zijn anders. Zo is Argentijnse tango gepassioneerd en ritmisch. De Poolse tango is slepender, klassieker, met meer violen ook. Het is Oost-Europees. Dat wil zeggen: je kunt horen dat musici klassiek waren geschoold. In de bars van Warschau speelden geen autodidacten.”

Het is belangrijk voor hem dat de muziek klinkt zoals die in de jaren dertig klonk. Dat lukt goed, zegt Silberberg, al is het soms moeilijk dat zijn musici naoorlogse jazz kennen, en popmuziek. „Ze zijn genegen swing te brengen waar die destijds niet was.”

Het gaat Silberberg om de authentieke uitvoeringspraktijk. Hij moet lachen om de vergelijking met Ton Koopman, die Bach uitvoert zoals de inwoners van Leipzig diens muziek destijds hoorden. Toch is hij ook tevreden met de vergelijking. „Maar jij zegt dit he? Ik niet. Het gaat hier immers niet om Bach, maar om Gold en Petersburski.”

De muziek heeft slechts tien jaar bestaan. In de jaren twintig klonken er in Warschau al tango’s, maar die waren meestal vertaald uit het Spaans. Of de tekst was Pools, maar de melodie was uit het buitenland. Silberberg: „Een mijlpaal was 1929, toen Jerzy Petersburski ‘Tango Milonga’ schreef. Die hit ging viral: binnen een jaar waren er tientallen vertalingen en was het nummer onder de titel ‘Oh, Donna Clara’ overal in Europa een megahit. Daarna ging het hard met de Poolse tango.”

De liedjes werden gezongen in het Pools, niet in het Jiddisch, de taal van de meeste Poolse Joden uit de jaren dertig. Nog veel Polen kennen de liedjes vandaag. Silberberg: „Toch weten ze niet hoe die bedoeld waren en geklonken hebben in de jaren dertig. De Frank Sinatra van het genre is Mieczyslaw Fogg, geboren Fogiel. Hij was van Duitse afkomst, overleefde de oorlog, en net als Sinatra heeft hij vooroorlogse liedjes later opnieuw opgenomen. Meer slepend, met zwaardere orkestratie. Sovjet-achtig. Niet mooi, vind ik. Maar het moet gezegd: Fogg heeft de liedjes gered. Net als hij een paar Joodse vrienden heeft gered, musici.”

Dat brengt ons op bij de bron van Silberbergs inspiratie. Ligt die in de muziek, of in een verlangen een deel van de cultuur van zijn voorouders te eren? Silberberg zegt dat beide niet zijn te scheiden. Het schenkt hem ieder geval voldoening om Polen te herinneren aan een deel van hún cultuur die in de oorlog is vernietigd. „Want het gaat hier om Poolse cultuur, een voorbeeld van Joodse integratie in het Poolse culturele leven. Weet je, enkele van de musici hebben Israël bereikt. Ze speelden al snel andere muziek.”

Silberberg denkt dat zijn project op steun kan rekening uit beide politieke kampen van het land, wat in de toenemende politieke polarisatie in Polen geen overbodige luxe is. „Liberalen vinden het mooi dat er aandacht is voor een product van het multiculturele Polen van voor de oorlog. Nationalisten vinden het mooi omdat ze de liedjes tot pure Poolse cultuur rekenen.”

Pure Poolse cultuur? Silberberg: „Nou ja, dat denken ze zolang ze een tikje onwetend blijven.”

Onwetend? Silberberg antwoordt met een anekdote: „Onlangs sprak ik een Poolse leeftijdsgenoot, een student architectuur. Toen hij over zijn verbazing heen was dat niet alle Joden pijpenkrullen hebben, kosjer eten en naar de synagoge gaan – en ik dus Joods kon zijn – spraken we over mijn project. Ik neuriede een paar melodietjes en dat maakte hem blij. Hij kende ze allemaal. Ik vertelde hem welke liedjes waren geschreven door Joden. Zijn gezicht betrok. Echt, ik zag dat hij fysiek leed onder die kennis. Hij drukte zijn handen tegen zijn oren en zei: ‘Houd op! Je maakt voor mij Poolse cultuur kapot!’”